Studiedag ‘Oost-West Ontmoetingen In België’

Martine Strubbe

Op 16 september ll. had een ontmoeting plaats tussen de Werkgroep Religie en Levensbeschouwing (WRL) van de VUB en de Boeddhistische Unie België (BUB).

De WRL verzorgde een humanistisch luik, ‘humanisme in België’, dat kaderde binnen het millenniumproject ‘Vrij Onderzoek in een Vrije Wereld’. De BUB die het luik ‘boeddhisme in België’ verzorgde, hield daarmee meteen haar eerste nationale conferentie.

Tijdens één van de toespraken in het boeddhistische luik, verscheen op een groot projectiescherm - zonder verder commentaar - de vraag: ‘Is het boeddhisme het humanisme van de 21ste eeuw?’

Aangezien er geen tijd was om hierover achteraf verder te spreken, bleef deze vraag in de daaropvolgende dagen in mijn hoofd spoken.

Deze vraag willen ontleden en eventueel beantwoorden vereist een grondig en langdurig overdenken.

Toch zou ik graag, uit persoonlijke naam, enkele bedenkingen willen neerschrijven omtrent deze kwestie.

Vooreerst dient men zich af te vragen welk ‘humanisme’ men hier bedoelde. Had men het ‘klassieke’, atheïstische humanisme in gedachten, het humanisme dat de ‘Mens’ centraal stelt, als de maat van alle dingen? Of had men het meer ‘spiritueel’ humanisme voor ogen, dat van de ‘mens aan de grens’ (Kruithof), waarbij de mens zich ziet als deel van de natuur, of de ‘atheïstische religiositeit’ van Apostel, of het spiritueel humanisme van de franse filosoof Luc Ferry waar een ‘transcendance horizontale’ aan de orde is?

We weten allemaal dat het boeddhisme één der oudste vormen van humanisme is, en dat de Boeddha leerde dat de mens, ondanks de omstandigheden waarin hij verkeert, toch over een zekere mate van vrijheid beschikt, en persoonlijke verantwoordelijkheid kan opnemen in zijn leven. We weten ook dat de Boeddha het Vrij Onderzoek aan de basis zag van elk leven dat onthecht, nuchter en met zin voor verantwoordelijkheid wordt geleefd.

In latere ontwikkelingen werd de totaliteitsvisie inherent aan het vroege boeddhisme filosofisch uitgewerkt, waardoor het naast een heilsleer, ook een volwaardige religie werd: de mens is nooit de enige maatstaf voor zijn welzijn, maar dient zich in te voegen in een hem overstijgende wereld van oorzaken en omstandigheden waarin alle wezens zijn opgenomen, elkaar wederzijds beïnvloeden, en voor hun bestaan van elkaar afhankelijk zijn. Deze dubbelheid, die een niet-tweeheid is, heeft Taitetsu Unno ooit de ‘transdescendentie’ genoemd. Dit inzicht van niet-tweeheid brengt een religieuze levenshouding met zich mee: aan de aaneenschakeling van al het bestaande verleent men een sacraal statuut; A. Watts noemde het de ‘heiligheid’ van de wereld.

Het is duidelijk dat ‘persoonlijke verantwoordelijkheid’, ‘een vrijzinnige levenshouding’ en ‘transdescendentie’ ook de ingrediënten zijn die in één of andere vorm deel uitmaken van een ‘spiritueel’ humanisme, waarin ecologisme, tiers-mondisme en socialisme fundamentele opties zijn.

Beide systemen naast elkaar leggen lijkt dus zeker niet onzinnig…

Maar het is niet omdat boeddhisme en humanisme gelijklopende houdingen aannemen, dat men zou moeten ijveren om het ene te vervangen door het andere. Men kan niet méér dan tweeduizend jaar evolutie zomaar negeren, om er een andere stelsel voor in de plaats te nemen.

Boeddhisme en humanisme overlappen mekaar trouwens niet volledig. Het boeddhisme, als causaliteitsreligie, beperkt zich in haar vraagstelling tot de oorzaak van het ‘lijden’, waarvoor dan een psychologische verklaring wordt gegeven. De Leer biedt vanuit deze optiek dan niet alleen een filosofische uitwerking, spirituele en ethische mogelijkheden, maar daarenboven een methode om zich te bevrijden van het lijden, én de mogelijkheid tot het beleven in gemeenschap. En net deze laatste: methode en praktijk, zijn de elementen die m.i. in westerse humanistische, filosofische of psychologische ‘stelsels’ ontbreken: het blijft altijd een individuele zaak van vertoog en getheoretiseer. Er is weinig ruimte tot bezinning in gemeenschap, geen mogelijkheid tot benadering van de diepe religieuze werkelijkheid waardoor wij worden bewogen. Hiervoor biedt de christelijke mystiek bijvoorbeeld veel meer mogelijkheden…

Het is nu maar de vraag of het westerse humanisme ook daadwerkelijk kan komen tot een praktijk en een in gemeenschap beleven van een religieuze werkelijkheid. Leo Apostel, als ‘atheïstisch’ religieus ‘humanist’, was op het einde van zijn leven ten zeerste betrokken op deze vraag!

Hoe dan ook, de denkwegen die gevolgd worden in het humanisme zijn boeiend. Toch blijf ik er bij dat men beter kan stellen dat humanisme en boeddhisme naast en met elkaar moeten leven, elkaar wederzijds moeten bevruchten en inspireren. Het is in de verscheidenheid dat het boeiende en de schoonheid van de wereld zit, niet in het gelijke. Het is voor deze reden ook dat men m.i. huiverig moet staan tegenover de opmerking dat ‘we niet moeten halen in het Oosten, wat hier ook aanwezig is.’ Het is evident dat de wijsheid van een 2500 jaar oude (Westerse) traditie niet mág en niet kán genegeerd worden. Maar de Leer toont ons, in overeenstemming met de ervaring, dat élke traditie bevrucht wordt door andere inzichten, en dat deze wisselwerking de dynamiek van de wereld - als een complex van traditie/verandering - levendig houdt. Is het niet een illusie te pleiten voor een unieke Westerse Cultuur? Moeten we kiezen voor ‘eigen cultuur eerst’, of voor een ‘eigen cultuur die open staat voor de wereld’?

Als men de geschiedenis van de religies bekijkt in China in de eerste eeuwen van onze jaartelling, dan zien wij hoe het taoïsme en het boeddhisme op sommige vlakken duidelijk overeenstemming vertoonden. Het boeddhisme heeft dan ook een merkbare beïnvloeding ondergaan van het taoïsme, en men kan niet anders dan dit een verrijking te noemen voor het boeddhisme. Maar toch bleven boeddhisme en taoïsme als stelsels ook afzonderlijk verder bestaan.

Westerse boeddhisten kunnen hier uiteraard niet leven als Tibetanen, Chinezen of Japanners, want ze zijn ingebed in de westerse traditie; als ze het boeddhisme als leidraad willen nemen in hun leven, dan is het hun opgave de eigen cultuur niet te verloochenen, maar het boeddhisme doorheen een geleidelijk evolutieproces eigen culturele vormen te laten aannemen: het boeddhisme met een westers gelaat… De evolutie van het boeddhisme, vanuit India naar Z.O. Azië, China en Japan, toont ons het proces van min of meer ‘vlotte’ inpassing in de filosofische tradities van de nieuwe culturen. Dit is mogelijk omdat de inhoud van de Leer weliswaar universeel is, maar de verwoording en vormgeving ervan relatief. Hierdoor is het boeddhisme uitermate dynamisch en soepel hanteerbaar. We mogen alleen niet vergeten dat een proces van inculturatie veel tijd vraagt en niet kan gedwongen worden.

Namu Amida Butsu.

Ekō 87

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home