Wat leert ons het Meditatiesutra?

Sh. Myōkai Rutger Franck

Wanneer we, tijdens momenten van aandacht, de drie Reine-Landsutra’s[5] doornemen, gaat onze aandacht meestal naar de belangrijkste, met name het Grootsutra.

Dat is begrijpelijk: het Grootsutra verklaart immers de Volkomen Oorzaak en Gevolg (pratītya-samutpāda)[6] van de Geboorte in het Reine-Land[7], verwezenlijkt door de werkzaamheid van de Ander-Kracht en Amida’s/Dharmākara’s Geloften. Het Grootsutra ontsluiert ook de ware bedoeling van alle leringen die Boeddha Śakyamuni gedurende 45 jaar gaf.

Nochtans zijn ook de overige twee onderrichtingen van groot belang en onze aandacht waardig: zij belichten elk aspecten die tot de verwezenlijking van de Geboorte bijdragen. Zo verduidelijkt het Meditatiesutra de Weg en de middelen voor de Verwezenlijking. Maar de te volgen Weg, zoals verklaard in het Meditatie, wordt wel op een verrassende, ongewone manier uitgestippeld.

De achtergrond, de drie hoofdfiguren

We kunnen gerust stellen dat in Boeddha Gautama’s leven, geen enkele gebeurtenis hem zo in beroering bracht als het verraad van Devadatta, zijn neef.

Devadatta was belust op macht en aanzien, ontstaan uit zijn karmische natuur. De teksten vermelden dat hij zich bovendien toelegde op het beoefenen van zwarte kunst (vikurvana).

Deze karmische[8] factoren zetten hem er toe aan de sangha te dwarsbomen en zelfs ten val te brengen door het gezag en de Dharma-overdracht op te eisen, onder het voorwendsel dat de Boeddha te oud was om deze taken te vervullen; een eis waar de Boeddha niet op ingaat.

Daarop besluit hij te trachten de Boeddha te laten vermoorden.

De would-be koning krijgt hiervoor de hulp van de ambitieuze samenzweerder Ajātaśatru[9] die door Devadatta’s zwarte kunst aangetrokken was en wiens ambitie het was zelf over Magadha te heersen en de vijftien omliggende koninkrijken onder zijn gezag te plaatsen. Diens eerste stap was zijn vader, koning Bimbisāra, een vredelievend man en volgeling van de Boeddha, op te sluiten.

Aangemoedigd door deze gebeurtenis en met de hulp van door Ajātaśatru geleverde huurmoordenaars, voert Devadatta zijn moorddadig plan ten uitvoer, maar zijn poging wordt verijdeld en alle moordenaars worden volgelingen van de Boeddha.

Devadatta besluit dan maar om zelf moordenaar te worden.

Hij stort een rots van op de rand van een afgrond neer op de plaats waar de Boeddha voorbijkomt, maar ook zijn tweede poging mislukt en de Boeddha is slechts licht gewond aan zijn voet.

Enige tijd later onderneemt hij een derde poging door een woeste, dronken olifant op het pad van de Boeddha los te laten, maar eens te meer mislukt zijn opzet. Wanneer de olifant voor de Boeddha staat en deze hem zacht toespreekt, wordt hij tam en gewillig.

Hij onderneemt nog een vierde poging en tracht tweespalt in de sangha (samgha-bheda) te zaaien door vijf asceseregels voor te stellen. De Boeddha verwerpt deze praktijken aangezien zij in tegenstrijd zijn met de door hem verkondigde Middenweg (madhyama-pratipad)[10]. Vijfhonderd afvallige monniken worden door Śāriputra en Mahāmaudgalyāyana terug tot de sangha gebracht.

Devadatta is nu totaal gefrustreerd door al zijn mislukte pogingen. Wanneer hij op een late middag terugkeert van een bezoek aan Ajātaśatru vermoordt hij de non Utpalavarnā (arahat-ghāta, het doden van een arhat).

Op zijn terugweg naar de vihāra scheurt de grond voor hem open en wordt hij door de aarde opgeslorpt. De teksten[11] voegen eraan toe ‘nog voordat hij zijn uitroep ‘Namo Buddhāya…’ kon voltooien’.

Het onderricht van het Meditatiesutra

Intussen was koningin Vaidehī, Bimbisāra’s echtgenote, erin geslaagd regelmatig eten te brengen voor haar man. Wanneer Ajātaśatru verneemt dat de koning door Vaidehī in leven wordt gehouden, wordt ook zij gevangen[12] gezet en ter dood veroordeeld[13].

De Boeddha, die op dat moment op de Gierenspitsberg nabij Rājagriha, de hoofdstad van Magadha, vertoeft, ‘hoort’ Vaidehī’s dringende smeekbede en verschijnt haar in een visioen, gezeten op een met edelstenen getooide lotusbloem, met links van hem Mahāmaudgalyāyana en rechts Ānanda.

In antwoord op haar pathetische smeekbede geeft hij haar het onderricht van het Meditatiesutra[14].

Het tweede deel van het sutra vermeldt de 16 samādhi’s, concentratie-aandachten en -objecten, waarmee het Reine-Land gevisualiseerd kan worden.

De meditant is aanvankelijk verheugd met de ogenschijnlijke eenvoud van de eerste drie samādhi’s: de ondergaande zon, het heldere water…

Maar geleidelijk wordt het moeilijker om de talrijke en complexere objecten te visualiseren: het Reine-Land, de met edelstenen versierde bomen, de zeeën, de paleizen… En het wordt nog moeilijker wanneer de Boeddha er de nadruk op legt dat elk element, elk onderdeel, elk bloemblad, edelsteen, kristal, zonnestraal individueel en tot in de kleinste details gevisualiseerd moeten worden. ‘Deze wijze van contempleren wordt de juiste contemplatie genoemd, elke andere vorm van contempleren is de verkeerde contemplatie’, waarschuwt de Boeddha voortdurend.

De yogin komt tot vaststelling dat deze concentraties zijn krachten te buiten gaan en dat zij menselijk gesproken, onmogelijk te verwezenlijken zijn.

Op dit punt gekomen moet elke praktikant die de 13 eerste objecten beschouwd heeft, onvermijdelijk totaal wanhopig en ontmoedigd worden - zoals waarschijnlijk ook koningin Vaidehī tot die vaststelling kwam.

Zo te zien ziet het er naar uit dat de concentratiepraktijk alleen bedoeld is om de praktikant te ontmoedigen en wanhopig te maken: het Meditatiesutra beschrijft het Volmaakte Reine-Land maar het kan niet bereikt worden, althans niet door praktijken, lijkt wel de inhoudelijke boodschap te zijn.

En dat is precies wat in de bedoeling van de Boeddha ligt: ons menselijk onvermogen bloot te leggen!

Dit onvermogen voelde ook Shinran aan, tijdens zijn 20 jaren lang verblijft op de Hiei-berg, gedurende dewelke hij trachtte met praktijken zijn geest te stillen om de Verlichting te verwezenlijken.

‘Hoe meer hij trachtte de woelige golven in zijn geest tot rust te brengen,

‘Om samādhi te verwezenlijken,

‘Hoe heviger zij tegen hem opwelden!

‘Hoe meer hij zich inspande om klaar en duidelijk

‘De spirituele Maan te ontwaren,

‘Hoe meer zij versluierd werd door donkere wolken!’[15]

En zijn wij allen ooit niet tot dezelfde vaststelling gekomen?

Maar de Grote Geneesheer geeft aan elk van ons een onderricht overeenkomstig onze mogelijkheden en geaardheid.

De laatste drie Meditatieobjecten vormen de sluitsteen van het sutra. Zij geven de Sublieme, Verheven en Edele Waarheid voor onze Bevrijding, het werkelijke doel van dit onderricht. Zij geven de enige ware en correcte praktijk die ons overblijft om in het Reine-Land geboren te kunnen worden: het Gemoed van Vertrouwen.

De Boeddha sprak toen tot Ānanda en koningin Vaidehī:

‘De wezens, wie zij ook mogen zijn, die in het hoogste stadium en op de hoogste trap van volmaking [in het Reine-Land] Geboren zullen worden, zijn diegenen die er geboren wensen te worden en de Drie Gemoedstoestanden[16] koesteren […]: ten eerste het Oprechte Gemoed, ten tweede, het Gemoed van Vertrouwen en ten derde, het Ontwakende Gemoed dat in het Reine-Land geboren wenst te worden. […] Diegenen die deze drie gemoedstoestanden verwezenlijken, zullen zeer zeker in het Reine-Land geboren worden.’

Het Grootsutra onthult de Boeddha Dharma en beschrijft het Reine-Land; het Meditatiesutra toont ons de Weg om de Geboorte te verwezenlijken. Mochten alle wezens daar vlug geboren worden!

Namu Amida Butsu!

 

[5] de ‘Grote Leerrede van de Tooisels van het Reine Land’, in ’t kort ‘Grootsutra’ (sk. Mahāsukhāvatī -vyūha sutra, Jap. Dai-kyō); de ‘Korte Leerrede van de Kenmerken van het Reine Land, in ‘t kort ‘het Kleinsutra’ (sk. Buddha-bhāsita-Amitayuh-sutra, Jap. Amida-kyō) en de ‘Leerrede van de Meditatie over het Onmeetbaar Leven, in ‘t kort ‘het Meditatiesutra’ (Sk. Amitāyur-dhyāna-sūtra, Jap. Kan-muryōju-kyō)

[6] de ‘wereldse’ vorm van de pratītya samutpāda: de oorzaak en gevolg van het lijden in de kringloop van geboorte en dood (samsāra). zie ‘An Outline of the Triple Sutra of Shin Buddhism. Ryukyo Fujimoto, Vol. I. (Honpa Hongwanji, Kyoto, 1955), p. 53.

[7] de Verlichting, nirvāna.

[8] samskara, de tweede nidana (‘oorzakelijkheid’) van de pratītya samutpāda, dynamisch van karakter, niet te verwarren met de samskara als opbouw van de persoonlijkheid (pańca skandha), die eerder statisch is.

[9] kroonprins van het machtige en invloedrijke Magadha.

[10] uiteengezet in het eerste deel van de eerste Leerrede die hij gaf in het Hertenpark, het Saccavibhanga - sutta.)

[11] Ekottarikaāgama-sūtra, hfst. 47, ibid. p. 20.

[12] Zo is ook het leven, in de spirituele betekenis, een vorm van gevangenschap.

[13] Intussen komt Bimbisara te sterven. Ajātaśatru verneemt zijn dood, krijgt spijt van zijn daden maar wordt getroffen door een ondraaglijk pijnlijke huidziekte, gepaard gaande met hoge koorts. Zijn lichaam scheidt voortdurende etter af en de hevige stank ervan is zo ondraaglijk dat geen enkele verpleegster in dienst gehouden kan worden. Alleen zijn moeder blijft bij hem, dag en nacht. Hij heeft een onderhoud met zijn lijfarts Jāvaka, die hem zegt dat de Boeddha, om zijnentwil, zijn parinirvāna voor drie maanden heeft uitgesteld. De Boeddha, die op dat moment in Kuśinagara zijn laatste Mahānirvana-sūtra onderricht geeft en met zijn ‘Dharma-oog’ Ajātaśatru ’s doodstrijd ‘zag’, treedt in de Maan-Mededogen-samādhi (Candra-karunā-samādhi), waarmee hij het lichaam van Ajātaśatru belicht en geneest. De teksten vermelden nog dat Ajātaśatru diep berouw had en zich, vergezeld door Jāvaka, naar de Boeddha begeeft die, ter wille van dit treffen met Ajātaśatru, zijn Mahāparinirvāna (Uiteindelijk nirvana) die dag uitgesteld had.

[14] Het Meditatiesutra is, volgens Fujimoto, a.h.w. Ānanda’s verslaggeving van de gebeurtenissen in de gevangenis, bestemd voor de gewone ‘huishouders’, terwijl het Lotussutra (Saddharma-pundarīka-sūtra) door de Boeddha aan de monniken onderwezen werd. beide sūtra’s werden gelijktijdig op de Gierenspitsberg gegeven. ibid. p.29.

[15] Uit Kakunyo’s Life of Shinran, vrije vertaling. ibid. Vol. II, p. 69.

[16] Ch. san-hsin, SJ sanshin. de Drie Gemoedstoestanden vermeld in het Grootsutra zijn het oprecht gemoed (SJ shishin), het vreugdig vertrouwen (SJ shingyō) en het verlangen naar Geboorte in het Reine-Land (SJ yokushō). de gemoedstoestanden vermeld in de drie Reine-Landsutra’s komen alle samen in het Ene Gemoed (sk. Eka-Citta, SJ i(s)shin van Amida Boeddha, d.i. shinjin [(śraddhā(-citta)], het (diepe oprechte) Gemoed van Onvoorwaardelijk Vertrouwen in het Oneindige Mededogen van de Boeddhakracht.)

Ekō 88

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home