Tempelrede - Oost en West - ‘Yoku mireba’

uit: D.T. Suzuki ‘Lectures on Zen-Buddhism’ [17]

Vertaald en voorgelezen door Fons Martens tijdens een tempeldienst.

‘Heel wat bekwame denkers in het Westen, hebben zich, ieder vanuit hun specifiek standpunt, beziggehouden met dit afgezaagd onderwerp, “Oost en West”, maar voor zover ik weet hebben relatief weinig schrijvers uit het Verre Oosten hun standpunten als Oosterlingen bekend gemaakt. Dit feit bracht me ertoe dit onderwerp als een voorloper van hetgeen volgt te kiezen.

Basho (1644-1694), een groot Japans poëet van de zeventiende eeuw, schreef ooit een gedicht van zeventien lettergrepen bekend als een haiku[18]. In het Japans (en in de Engelse vertaling) klinkt het als volgt:

Yoku mireba When I look carefully Als je zorgvuldig kijkt
Nazuna[19] hana I see the nazuna zie je de nazuna
saku blooming bloeien
Kakine kana By the hedge! bij de haag! [20]

 Waarschijnlijk was Basho langs een veldweg aan het wandelen toen hij iets bij de haag opmerkte dat er nogal verwaarloosd uitzag. Toen ging hij dichterbij, keek er eens goed naar, en vond dat het niet meer was dan een onkruid, eerder onbeduidend en meestal onopgemerkt door wandelaars. Dit is een gewoon feit beschreven in het gedicht, met geen enkel specifiek poëtisch gevoel, behalve misschien in de laatste twee lettergrepen, in het Japans kana. Dit partikel wordt vaak aan een zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord of werkwoord geplakt, en drukt een bepaald gevoel uit van verwondering of van lof of lijden of vreugde, dit kan soms heel toepasselijk worden uitgedrukt in het Engels [en het Nederlands] door middel van een uitroepteken! In deze haiku eindigt het hele vers met dit teken. (…)

Basho was, zoals velen van zijn Oosterse collega’s, een natuurpoëet: ze houden zo veel van de natuur dat ze zich één voelen met de natuur, ze voelen iedere ‘pulse beat’ door de aders van de natuur stromen. Westerlingen vervreemden zichzelf van de natuur. Zij denken dat mens en natuur niets met elkaar gemeen hebben, tenzij wat bepaalde verwachte aspecten betreft, en dat de natuur er enkel is om de mens te dienen. Maar voor een Oosterling is de natuur zeer nabij. Dit gevoelen voor de natuur was diep bewogen van zodra Basho een onopvallend, haast verwaarloosbaar plantje zag bloeien bij de oude vervallen haag langsheen een verlaten veldweggetje, zo onschuldig, zo pretentieloos, helemaal niet hopend dat ook maar één iemand het zou opmerken. Nochtans, zodra iemand het bekijkt, hoe zacht en hoe vol goddelijke glorie is het! Precies zijn bescheidenheid, zijn onopzichtelijke schoonheid roept je oprechte bewondering op. In ieder bloemblad kan de poëet het diepste mysterie van het leven of van een wezen lezen. Basho was er zichzelf misschien niet van bewust, maar ik ben er zeker van dat er op dat ogenblik gevoelstintelingen waren in zijn hart, vergelijkbaar met wat Christenen goddelijke liefde zouden noemen, dat de diepste diepten van het kosmische leven bereikt.

De immensheid van de Himalaya mag ons subliem ontzag inboezemen, de golven in de Stille Oceaan mogen iets van een

oneindigheid suggereren. Maar van zodra iemands geest poëtisch of mystiek of religieus geopend is, voelt hij zoals Basho dat er zelfs in ieder blaadje van een onkruid iets is dat werkelijk alle basisgevoelens van een mens overstijgt, dat hem verheft tot een koninkrijk in zijn pracht vergelijkbaar met het Reine Land. Grootte heeft er in dit geval niets mee te maken. Vanuit dit standpunt heeft de Japanse poëet een specifieke gave die iets groots kan ontdekken in kleine dingen, terwijl we alle kwantitatieve maatstaven overstijgen.

Dit is het Oosten. Laat me nu eens zien wat het Westen in een vergelijkbare situatie te bieden heeft. Neem bijvoorbeeld Tennyson. Hij is misschien niet een typische Westerse poëet die we eruit kunnen pikken om te vergelijken met een poëet uit het Verre Oosten. Maar zijn klein gedicht dat we hier aanhalen heeft iets dat zeer dicht ligt bij Basho’s ‘yoku mireba’. Het gaat als volgt:

Flower in the crannied wall, Bloem in de gespleten muur,
I pluck you out of the crannies; - ik pluk je uit de spleten, -
Hold you here, root and all, in my hand, hou je hier, wortel en al, in mijn hand,
Little flower – but if I could understand kleine bloem – och kon ik maar begrijpen
What you are, root and all, and all in all, wat je bent, wortel en al, en al in al,
I should know what God and man is. ik zou weten wat God is, en wat mens is.

Er zijn twee dingen die ik in deze regels wil opmerken:

1. Dat Tennyson de bloem plukt, in zijn hand houdt, “wortel en al”, en ze bekijkt, is wellicht doelbewust. Het is heel waarschijnlijk dat hij gevoelens kreeg ongeveer vergelijkbaar met wat Basho ervoer toen hij de nazuna bij de weghaag ontdekte. Maar het verschil tussen de twee poëten is: Basho plukt de bloem niet. Hij bekijkt ze gewoon. Hij is in gedachten verzonken. Hij voelt wat in zijn geest, maar drukt het niet uit. Hij laat een uitroepteken alles zeggen wat hij wil zeggen. Immers,

hij heeft er geen woorden voor; zijn gevoelens zijn te vol, te diep, en hij heeft geen behoefte om dit in een beeld te gieten. Wat dan Tennyson betreft, hij is actief en analytisch. Eerst plukt hij de bloem weg van de plaats waar ze groeit. Hij zondert ze af van de grond waartoe ze behoort. Helemaal verschillend van een Oosters poëet, laat hij de bloem niet alleen. Hij moet ze wegtrekken van de gespleten muur, “wortel en al”, hetgeen inhoudt dat de plant moet sterven. Hij trekt zich, zo te zien, niets aan van het lot van de plant; zijn nieuwsgierigheid moet bevredigd worden. Zoals sommige medische wetenschappers doen, zou hij de bloem een vivisectie laten ondergaan. Basho van zijn kant raakt de nazuna niet eens aan, hij bekijkt ze gewoon, hij bekijkt ze “zorgvuldig” – dat is alles wat hij doet. Al bij al is hij inactief, een goed contrast met Tennyson’s dynamisme.

Ik zou dit punt hier specifiek willen aanhalen, en zal nog wel de kans krijgen ernaar te verwijzen. Het Oosten is stil, het Westen is welbespraakt. Maar de stilte van het Oosten betekent niet dat het dom is, en zonder woorden of spraak blijft. Stilte is in vele gevallen even veelzeggend als een woordenvloed. Het Westen houdt van muggenzifterij. Dat niet alleen, het Westen vervormt het woord tot vlees en laat deze vlezigheid soms te veel in het oog springen, of liever laat het te potsierlijk en te weelderig blijken in kunst en religie.

2. Wat doet Tennyson daarna? Terwijl hij de geplukte bloem bekijkt, die naar alle waarschijnlijk al begint te verwelken, stelt hij zichzelf de vraag, “Begrijp ik jou?”. Basho is helemaal niet nieuwsgierig. Hij voelt het hele mysterie zoals het blijkt bij zijn eenvoudige nazuna – het mysterie dat gaat tot diep in de bron van ieder bestaan. Hij is verdoofd door dit gevoelen en roept het uit in een onuitsprekelijke, onhoorbare kreet.

Tennyson gaat – in tegenstelling met het voorgaande – door met zijn begrijpen: “Als [21] ik je kon begrijpen, zou ik weten wat God is, en wat mens is.” Zijn beroep op het begrijpen is typisch Westers. Basho aanvaardt, Tennyson verzet zich. (…)

Basho zegt: “kijk zorgvuldig” (in het Japans “yoku mireba”). Het woord “zorgvuldig” houdt in dat Basho geen toeschouwer meer is, maar dat de bloem van zichzelf is bewust geworden, en zichzelf in stilte welsprekend uitdrukt. En deze stille welsprekendheid of welsprekende stilte van de kant van de bloem vindt zijn menselijk echo in Basho’s zeventien lettergrepen. Welke gevoelsdiepte er ook is, welke mysterieuze uitspraak er ook is, of welke filosofie van “absolute subjectiviteit” er ook is, dit is alleen begrijpelijk voor degenen die dit alles werkelijk beleefd hebben.

Bij Tennyson is er, voor zover ik kan zien, in de eerste plaats geen gevoelsdiepte; hij is een en al intellect, een typische Westerse mentaliteit. Hij is een voorstander van de doctrine van de Rede. Hij moet iets zeggen, hij moet iets afleiden uit zijn concrete ervaring, iets intellectueels uitleggen. Hij moet uit het domein van de gevoelens treden, en naar dat van het intellect gaan, en moet leven en voelen aan een reeks analyses onderwerpen om voldoening te geven aan de Westerse geest van nieuwsgierigheid.

Ik heb deze twee poëten gekozen, Basho en Tennyson, als een aanwijzing van twee elementaire karakteristieke benaderingen

van de realiteit. Basho is uit het Oosten, Tennyson uit het Westen.’

Beste vrienden sanghaleden, jullie weten dat mijn zoektocht naar deze tempel verlopen is via mijn interesse voor de Japanse taal en de Japanse cultuur. Tussen Oost en West ligt inderdaad een groot verschil: beter dan D.T. Suzuki het in deze tekst aangeeft, zou ik het nooit kunnen! Daarom hoorden jullie vandaag ook ongeveer een letterlijke vertaling.

Wellicht heb ik de Oosterse denkwereld al altijd een beetje in mij gehad. Ik voelde me onmiddellijk thuis in deze groep in Berchem…

Daarom gaf ik ook graag deze tempelrede. Namu Amida Butsu!

Fons

[17] cfr. D.T. Suzuki, e.a., Zen Buddhism and Psychoanalysis’, George Allen & Unwin, London, 1960, p. 810.

en Willems Bert, ‘Yoku Mireba- een bundel haiku’s’. Privé uitgave, 1975.

[18] haiku (hokku) 5 - 7 - 5 lettergrepen

[19] nazuna: ‘onkruid’, herderstasje, L.: capsella bursa pastoris.

[20] De Nederlandse vertaling voegde Fons toe!

[21] Cursivering is van Fons!

Ekō 88

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home