Editoriaal

In mei vierde onze sangha één van de belangrijkste feesten voor de Shinboeddhist: Gotan-e, de geboorte van Shinran Shonin, op 24 mei 1173.

Shinran was een voorbeeld van spirituele moed, want hij durfde het aan om radicaal te kiezen voor de ‘issendai’, de ‘gewone’ mensen, die -in de constellatie van de dertiende eeuw in Japan - uitgesloten werden van deelname aan de realisatie van het heil.

Toen Shinran na twintig jaar vruchteloze, zware meditatiepraktijken op de Hiei-berg, zich wendde tot de leer van ‘uitsluitend Nembutsu - recitatie’ zoals die door Hōnen werd voorgesteld, haalde hij zich de bittere kritiek van andere boeddhisten op de hals. Maar Shinran, zo overtuigd van zijn onvermogen, vond Hōnen volgen niet erg, het was altijd beter dan helemaal niets doen; als hij daardoor in de ‘hel’ zou terechtkomen, dan was dat geen probleem, zonder Hōnen zou hij óók in de hel terechtgekomen zijn… De keuze voor de ‘uitsluitend Nembutsu - praktijk’, in de context van het Middeleeuwse Japan, toont het sterke onafhankelijke karakter van Shinran aan, die lak had aan dogmatiek, autoritaire richtlijnen en personencultus.

Shinran leert ons dat ‘vertrouwensboeddhist’ zijn niets te maken heeft met een ‘zalig zich verheven voelen boven de onrust van de wereld’. In tegendeel, het betekent met nuchtere ogen de eigen modder en onmacht zien, en in staat te zijn daarmee verder te leven, in diep doorvoelde, oprechte nederigheid. In Shozomatsu Wasan 95 zegt hij:

‘Elk van ons, pakt uit met zijn imago

van wijsheid, goedheid en toewijding.

Maar we zijn bezeten van begeerte, haat en dwaze inzichten

en zijn daarom zó overvol van allerlei vormen van bedrog.’

Shinran kon zo zijn, omdat hij in feite reeds door de hel was gegaan: zijn verblijf op de ‘Noordelijke Berg’ had hem zijn ware aard, zijn spiritueel onvermogen getoond. En nét dat besef maakte zijn krachtige spiritualiteit uit, en toont zijn ware nederigheid.

Shinran heeft de sprong in de afgrond van het Vertrouwen aangedurfd uit vertwijfeling, en heeft ontdekt dat er niets te bewijzen en niets te vrezen valt: de afgrond is zonder bodem. Shinran is niet te pletter gestort, hij werd gedragen door Ander-Kracht. Hij heeft er de Nembutsu gehoord, de stem van de Oneindige Werkelijkheid die hem toeriep dat het ‘zo goed’ is, dat het leven vertrouwd mag worden. Zo kon hij leven op het ritme van de oneindigheid.

Leven in het Grote Vertrouwen betekent niet dat plots alle existentiële ‘problemen’ smelten als sneeuw voor de zon: een mens van Shinjin blijft geconfronteerd met de wereldse drama’s en de eigen beperkingen: het sterven van een kind, het eindigen van een relatie, het ziek worden. Maar het leven in Ander-Kracht maakt letterlijk kracht vrij om met deze beproevingen om te gaan, want men ‘weet’ zich omvat, en in deze omarming krijgen al onze existentiële ervaringen een andere kleur, een andere smaak…

Een ander aspect van de leer van Shinran wordt ook geëvoceerd in ‘De Kunst een Dwaas te zijn’ verder in dit nummer. Het betreft de houding van Shinran tegenover de studie. Het twaalfde hoofdstuk van Tannishō gaat daar dieper op in. ‘Studie centraal zetten is het Pad der Wijzen. Dat is de moeilijke praktijk.’ De gemakkelijke praktijk daarentegen is de Nembutsu zeggen uit volle vertrouwen.

‘Buiten dit vertrouwen, wat voor studie is dan nog noodzakelijk voor de geboorte?’ Dat is duidelijk. Maar, er wordt aan toegevoegd ‘Wanneer evenwel iemand in verwarring geraakt omtrent deze waarheid, dan zou die persoon zich alleszins aan het studeren moeten zetten om te komen tot het begrijpen van de betekenis van de Voortijdelijke Gelofte.’ Als studie helpt om verwarring op te heffen, en om te leren inzien dat de Voortijdelijke Gelofte niet gaat over ‘goed’ of ‘slecht’, dan ‘is het waardevol een geleerde te zijn.’ Maar ook bij studie kan het moeilijk blijven de fundamentele bedoeling van de Leer te begrijpen zegt Shinran. En als de teksten geen bevredigende antwoorden kunnen schenken, dan blijft nog altijd de Naam, die door iedereen kan gezegd worden. Woorden en teksten zijn uiteindelijk slechts geschikte middelen om tot inzicht te komen. Men moet zich van de boeken zo vlug mogelijk (!) ontdoen. Woorden wijzen ons alleen waar ‘het’ is, ze zijn een ‘vinger die wijst naar de maan, ze zijn niet de maan zélf’!..

Boekenkennis kan maar één doel hebben, Wijsheid verwerven. En wat houdt deze Wijsheid in? Weten dat men niets weet, noch over zichzelf, noch over de wereld. Dat men niet in staat is ook maar iets te zeggen over wat ‘goed’ is en wat ‘slecht’ is. Het proces naar niet-weten, het proces van ‘ont-weten’ of ‘ont-kennen’ is de ware weg.

Dat is ook de weg van de Nembutsu.                                                                                            

M.S.

Ekō 89

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home