Filosofie En Mystiek Van De Jodō Shinshū (3)

Dharmākara/Amida en De Geloften van de Bodhisattva

Dit is het derde deel van een reeks bijdragen, die in hun inhoud gebaseerd zijn op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo Shinshū’ door Sh. A. Peel worden belicht. [1] Er werd zoveel mogelijk naar gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven. Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker.

Dharmākara

De Sanskriet naam kan ontbonden worden in ‘dharma’ en ‘ākara’, (ākara: mijn, rijke bron, plaats van oorsprong), en kan vertaald worden als ‘Leer-bewaarplaats.’ Dit wijst zeer duidelijk op de ‘functie’ van Dharmākara: hij is de bron en de bewaarplaats van de leer.

De Dai-kyō, brengt ons het mythologisch verhaal van een koning die de Leer hoorde verkondigen, zwerfmonnik werd en het bodhisattva-schap verwezenlijkte. Zo werd hij Dharmākara, ontmoette de Boeddha Lokeśvararāja, en legde tegenover hem de 48 geloften af. Na een onmetelijk lange periode van verdienstelijke praktijken verwezenlijkte hij de Uiteindelijk Volkomen Verlichting, en werd Boeddha Onmeetbaar Licht en Onmeetbaar Leven. Hierdoor vestigde hij het Reine Land, Sukhāvati.

Om de aard van deze boeddhistische ‘mythologie’ te begrijpen, moeten wij beseffen dat het Boeddhisme gebruik maakt van een ‘history of myth’, waarin de mythevorming niet alleen explicatief en representatief bedoeld wordt, maar waar de klemtoon ligt op het exemplarische en soteriologische. Dergelijke mythologisering is in de eerste plaats een steun in het geestelijk beleven van het ‘Boeddha-worden’.

Geletterden in China beginnen vanaf de 5e eeuw (o.a. T’anluan) het verhaal van Dharmākara als metaforisch te ervaren, als een ‘geschikt middel’.

Shinran zal later overgaan tot een totale demythologisering. Hij plaatst de klemtoon op het aspect van ‘dharma-bron’, ‘dharma-bewaarplaats’. Dharmākara is Amida in zijn causaal aspect, dus als oorzaak en vertrekpunt van de heilswerkzaamheid van het Grote Mededogen. Metaforisch bekeken wordt zo het verhaal van Dharmākara de carrière van elk wezen.

De ‘causa’ van Amida (als verlichtende werkzaamheid) is natuurlijkerwijze de ‘mens’ in zijn lijdensbestaan: geen Verlichting zonder lijdenswereld, geen lijdenswereld zonder Verlichting.

Amida is het resultaatsaspect van Dharmākara: de Verwezenlijking (J. shō). Synoniemen hiervoor zijn: Werkelijkheid, (Ware) Zo-heid, nirvana, Dharma-natuur, Dharmakāya van niet-handelen, Zo-heid van het Ene.

Door Dharmākara gelijk te stellen aan Amida, noemt Shinran de 48 Geloften Amida’s Geloften. Dharmākara wordt hier dus geïnterpreteerd als de totaliteit van verdiensten en werkzaamheid van de Dharma als ‘absolute waarheid’, en zeker niet als een historisch of zelfs metaforisch ‘persoon’.

Gewone en Buitengewone Geloften

Het Mahayana Boeddhisme kent de Universele Bodhisattva Geloften, of Gewone Geloften, die door alle wezens kunnen uitgesproken worden als voornemen het bodhisattva-schap te verwezenlijken.

Ze zijn universeel omdat ze op alle wezens van toepassing zijn:

* ‘Hoe ontelbaar ook de wezens zijn, ik neem mij voor ze alle uit de lijdenswereld te verlossen.

* Hoe onuitputtelijk ook de begeertes zijn, ik neem me voor ze alle tot uitdoving te brengen.

* Hoe onmetelijk ook de leringen zijn, ik neem me voor ze alle te bemeesteren.

* Hoe onvergelijkbaar ook de Boeddha-waarheid is, ik neem me voor ze geheel te verwezenlijken.’

Daarnaast bestaan er ook nog Buitengewone Geloften, die uitgesproken worden met een specifiek doel. Zo kent men de 12 Geloften van Bhaisajyaguru, de 10 Geloften van Ksitigarbha, de 10 Geloften van Samantabhadra, en de 48 Geloften van Dharmākara-Amitābha. Voor de Reine Landstromingen zijn het zo goed als uitsluitend deze laatste geloften die van belang zijn. En van deze geloften wordt in de evolutie van de doctrine naar China en Japan, vooral de 18e gelofte als de belangrijkste ervaren, omdat zij het best uitdrukking geeft aan het Grote Mededogen van de Boeddha.

De Voortijdelijke Gelofte

Dit is de courante benaming voor de 18e gelofte van Dharmākara. In het Sanskriet spreekt men van purva - pranidhāna. Pranidhāna betekent gelofte, wil, verlangen, vurige wens. Deze wil is inherent aan het Boeddhaschap om alle wezens hoe ze ook zijn tot Verlichting te brengen. Deze wil is autotelisch: hij heeft zijn doel (nl. karunā) in zichzelf, is niet onderworpen aan een verplichting van buitenaf (b.v. moraliteit) en is indifferent qua straf of beloning. Purva betekent ‘vóór’ in temporale betekenis.

Shinran vertaalde ‘Voortijdelijke Gelofte’ als ‘hongan’ (hon: voortijdelijk; gan: eed)

De Voortijdelijke gelofte betekent dat de Gelofte elk denkbaar moment in de tijd voorafgaat. Deze Gelofte werd niet ‘afgelegd’ in een ver verleden (bij het begin van de beginloze tijd’), maar wél vóór elk denkbaar bestaansmoment (gedachte-moment). Zo’n éne-gedachte-moment volstaat om de werking van de Voortijdelijke Gelofte effectief te maken, tot vervulling te brengen: ‘Het éne-gedachte-moment is tijd op zijn uiterste limiet, daar waar de verwezenlijking van shinjin plaats grijpt’. [2]

De Voortijdelijke Gelofte is dan ook de natuurlijkheid (spontaneïteit) van het Boeddhaschap als dharmakāya-upāya. De alles doordringende geladenheid van de Voortijdelijke Gelofte wordt gerealiseerd als Gelofte-Kracht (hongan-riki). De Gelofte-Kracht is dan ook het Grote Mededogen als dynamiek van het Oneindige Boeddhaschap en komt overeen met Tariki (de ‘Ander-Kracht’).

Hoewel het hier gaat over geloftes afgelegd door Dharmākara, spreekt Shinran van Amida’s Geloftes, waarmee de identiteit Dharmākara/Amida en het schema causaal/vervulling beklemtoond wordt: Dharmākara als samsarisch aspect van het Grote Mededogen, Amida als nirvanisch aspect ervan.

Het verhaal van Dharmākara situeert zich in een (subjectieve, maar soteriologische) tijd-ruimtelijkheid, Amida (beter: Namu Amida Butsu) is beeld (‘significant’) van de Ware Werkelijkheid die alle dimensies overstijgt.

Voor Honen en Shinran is de 18e Gelofte de Voortijdelijke Gelofte, en dus centraal en meest belangrijk, maar in tegenstelling tot Honen, vindt Shinran dat ‘hongan’ ook zijn expressie vindt in andere Geloftes van Dharmākara, nl.:

11. Het onfeilbaar verwezenlijken va nirvana;

12. De uitstraling van het Oneindige Licht van Wijsheid;

13. De uitstraling van het Oneindige Leven van Mededogen;

17. De essentiële eenheid van alle Boeddha’s in de Naam.

18. De verlossing voor alle wezens zonder onderscheid;

19. De ‘voorlopige praktijken’ als geschikt middel;

20. De ‘gemengde praktijk’ van het ‘zelf-kracht’- reciteren van de Naam;

22. De verzekering van uiteindelijke verwezenlijking van het Boeddhaschap.

De Voortijdelijke Gelofte als werkzaamheid van het Grote Mededogen is natuurlijk, spontaan, automatisch en houdt geen rekening met bijvoorbeeld de morele kwaliteiten van de volgeling.

De Voortreffelijke Gelofte

Shinran hecht bijzondere waarde aan de 17e gelofte, want hij leest daarin de eenheid van alle Boeddha’s en bodhisattva’s in Dharmākara/Amida. De oneindige hoeveelheid voorstellingen die wij ons van het Boeddhaschap maken, zijn één in het uitspreken van de naam en dus ook één in het Oneindige Boeddhaschap. Diverse teksten ondersteunen deze visie, o.a. het Ratnakūta-sūtra en de Shingon-doctrine…Shinran vond het dan ook overbodig de talloze Boeddha’s en bodhisattva’s in zijn doctrine te betrekken; dit betekent geenszins dat hij deze ontkent, maar enkel Amida is honzon, ‘centrum van devotie.’

Op dezelfde wijze zijn voor Shinran ook alle bodhicitta’s (bodhicitta: ‘gemoed ter Verlichting’ gelijk aan elkaar door de naam, én is hun totaliteit Amida Butsu.

(Bewerking M. Strubbe)

[1] Sh. A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū’. De Simpele Weg - Antwerpen 197. Ook beschikbaar in de bibliotheek van het Centrum.

[2] (Ichinen-tanen mon’i, Shin Buddhist Translation Series, p. 32)

Ekō 89
Filosofie En Mystiek Van De Jodō Shinshū

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home