De Betekenis van Ethiek en Praktijk in Jōdo Shinshū:
een kritisch en praktisch onderzoek vanuit Nikāya standpunt (2)

Shoyo Masako Taniguchi

Dit is het tweede deel van de samenvatting van een artikel verschenen in ‘The Pure Land’ - New Series no 16 - December 1999, over enkele misverstanden in bepaalde Jōdo-Shinshū kringen. In het eerste deel werd de misvatting ‘In Jōdo-Shinshū is geen ethiek’ besproken.

Praktijk

Een gelijkaardig misverstand doet zich voor in Jōdo-Shinshū kringen omtrent het begrip ‘praktijk’. ‘In Jōdo-Shinshū is geen praktijk’ zo wordt gezegd. ‘Praktijk zou waardeloos zijn in het licht van Amida’s Oneindige Wijsheid en Mededogen.’

In de Nikāya, o.a. de Theriigāthā en de Theragāthā wordt beschreven hoe leken - volgelingen zonder strenge, ingewikkelde methodes toch de Verlichting hebben gerealiseerd. Dit was mogelijk omdat zij de praktijk van achtzaamheid (P. sati, Skr. smrti) toepasten, naar de Leer luisterden en de werking van hun geest onderzochten.

De ontwikkeling van juiste achtzaamheid heeft niets te maken met een ‘training’ om zich te vervolmaken in één of andere specifieke vaardigheid. Het betekent dat men er zich toe verbindt om volledig aanwezig te zijn in elk moment.

Hierbij wordt niet gestreefd naar speciale inzichten of visioenen; evenmin is het de bedoeling aan navelstaarderij te doen. Praktijk is rust, aandacht en gelijkmoedigheid belichamen, hier, nu, in dit moment, zo goed mogelijk. Door voortdurende praktijk en de juiste inspanning kunnen die rust, aandacht en gelijkmoedigheid dieper worden; er kunnen zich zelfs speciale inzichten en diepe ervaringen van rust en vreugde voordoen. Maar daar gaat het in feite niet over: het zou verkeerd zijn deze ervaringen opzettelijk te willen oproepen als doel-op-zich. De essentie van achtzaamheid is de beoefening van achtzaamheid zélf, en elk moment te nemen zoals het komt. Met deze attitude wordt het dagelijkse leven praktijk, het leven zélf wordt meditatie - leraar en gids.

Vipassanā, de praktijk van achtzaamheid, betekent het schouwen in de eigen geest. Door vast te stellen hoe onze geest werkt, wat emoties doen in de geest, kan een negatieve geestelijke toestand omgebogen worden tot een positieve.

Daarnaast betekent achtzaamheid ook de oorzaken en gevolgen zien (Pali: paticcasamuppāda). Hierdoor kan wijsheid/inzicht opgewekt worden. Dit proces toont de werkzaamheid van de Leer, die door de Boeddha ‘dhammatā’ (‘zoheid’) werd genoemd. ‘Jinen Hōni’, de natuurlijkheid waarover Shinran sprak, lijkt hiermede in verband te kunnen worden gebracht: hij noemde de ‘dhammatā’ de Voortijdelijke Gelofte van Amida. In deze zin zou praktijk niet ‘zelf-kracht’, maar ‘Ander-Kracht zijn’. Shinran kan dergelijke praktijk als Jōdo-Shinshū praktijk gezien hebben..

Men kan dus niet zomaar het concept ‘praktijk’ verwerpen als Shin-boeddhist. Men dient zich eerst af te vragen in welke betekenis praktijk hier gebruikt wordt en ten tweede of Jōdo-Shinshū de praktijk van ‘juiste achtzaamheid’ nog steeds verwerpt, in het licht van het voorgaande. Het lijkt erop dat er in Jōdo-Shinshū boeddhistische praktijk moet bestaan, voornamelijk dan in de zin van ‘juiste achtzaamheid.’

In het vroege Boeddhisme werd geen onderscheid gemaakt tussen het ethische en het spirituele. Toch zien sommige geleerden wel een scheiding tussen de twee. Zo wordt er soms gesproken over een tweevoudige leer: enerzijds is er het doctrinale/spirituele aspect voor de monniken en nonnen, en anderzijds een ethisch aspect bedoeld voor de leken. De auteur ziet echter een derde mogelijkheid: het Boeddhisme als ‘geleidelijke opvoedingsmethode ‘. De Nikāya teksten steunen deze visie, want ze vermelden het feit dat de Boeddha o.a. een methode toepaste van geleidelijk onderricht in de dharma (anupubbakathā) waarbij hij poogde ‘stap voor stap’ de leer uit te leggen. Deze stappen werden simultaan, en in nauwe relatie met elkaar ontwikkeld. Zo ontvouwen zich wijsheid (pañña) en juist gedrag (sīla) door de praktijk van het leren en het geven (dāna). Achtzaamheid ontwikkelt zich verder samen met inzicht in de leer van ‘niet - zelf’ (anattā), inzicht in de veranderlijkheid (anicca) en in de onderlinge afhankelijkheid.

De Dharma wordt niet alleen ‘onderwezen’: men moet de leer ook zélf geleidelijk leren kennen door studie en oefening en ze toepassen.

Praktijk in het Boeddhisme is een natuurlijk proces van groeien naar inzicht in de aard van de menselijke existentie.

Algemene Conclusie:

Beweren dat ‘er geen ethiek is in Jōdo-Shinshū’ en ‘dat er geen praktijk is in Jōdo-Shinshū’ is onjuist en misleidend. Er is geen westerse notie van ethiek in Jōdo-Shinshū, maar, er is duidelijk wél ‘ethiek’ in Jōdo-Shinshū. En er is geen ‘moeilijke’ praktijk in Jōdo-Shinshū, maar er is wel ‘praktijk’.

Ethiek en praktijk zijn typische onderwerpen die ernstig moeten worden onderzocht door Jōdo-Shinshū. Het Hongwanji Instituut, geleerden en priesters moeten deze zaken ernstiger opnemen en de interesse in en het verlangen naar ethische en praktische richtlijnen van de jonge en oudere Jōdo-Shinshū volgelingen ernstig nemen.

(Bewerking M. Strubbe)

Ekō 89
De Betekenis van Ethiek en Praktijk in Jōdo Shinshū: een kritisch en praktisch onderzoek vanuit Nikāya standpunt

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home