Nieuwe Inzichten In Het Vroege Boeddhisme

Shitoku A. Peel

Tot vóór enkele decennia werd door de meeste indologen en boeddhologen rustig aanvaard dat het boeddhisme (en in grote mate ook het jainisme, de ajivika, de lokayata e.d.m.) in feite zijn ontstaan te danken/te wijten heeft als reactie tegen het dominante brahmanisme, getekend door een religieus en maatschappelijk exclusivisme, dat de Indische maatschappij strikt en voor millennia lang gescheiden heeft in twee niveaus: enerzijds de ‘brahmanen’ (2%) met hun zowel sociale, culturele en religieuze ‘apartheid’, anderzijds de gewone, door de Arische invallen onderdrukte 98 % van de  bevolking.  Historisch bekeken de eerste greep naar macht en particularisme van een Indo-europees sprekende invaller, zoals er later nog heel wat meer zouden gebeuren bvb. in Amerika en Afrika.

Het is begrijpelijk dat vanuit deze drang naar dominantie het kastenstelsel kon ontstaan, met z’n vier hoofdonderverdelingen - plus de kastelozen (harija), die overigens niet als menselijke wezens beschouwd werden.  Religieus - dus ook cultureel…- zouden enkel de brahmanen (de mannen, niet de vrouwen!) de uiteindelijke bevrijding (moksha) uit de lijdenskring van de reïncarnaties kunnen verwezenlijken.  Leden van de lagere kasten moeten via een gunstig karma zien dat ze ‘betere geboortes’ bereiken.

De diverse reacties tegen dit brahmanistische exclusivisme (en de uitstraling ervan op de politieke machtsrelaties) werden dan ook, de eeuwen door, aanzien als vulgaire ketterijen (lees hierover S. Vivekananda of S. Radhakrishnan) van het brahmanisme en het latere hindoeïsme.

Toch bleef hieromtrent een voorzichtig waas van twijfel voelbaar.  Zeker in de 70-er jaren waren doordenkende Indische indologen tot de verbazende vaststelling gekomen

1° dat al die ‘reacties’ zowat gelijktijdig - zeggen we in de 6de/5de eeuw vóór onze tijdrekening - tot openbaarheid zijn gekomen;

2° dat ze zich gelijkelijk afzetten tegen de drie typische ‘waarden’ van het brahmanisme (zijnde het kastenstelsel, de noodzaak van bloedige offers en de aanbidding van goden en geesten); en

3° dat ze in hun verweer gebruik maakten van een gelijkaardige terminologie (ofschoon zowel in positieve als in negatieve zin) die merkwaardig genoeg niet als dusdanig in de ‘Arische’ Veda’s terug te vinden is.

Het spreekt ook vanzelf  dat de vanuit de moderne tekstkritiek doorgevoerde her - datering van o.a. de ‘oude’ Upanishaden voor velen vreemd overkwam: van  ± 2 eeuwen vóór de historische Boeddha Gautama, ‘verjongden’ ze naar de periode van de boeddhistische (toen nog mondelinge) literatuur, zodat bvb. de Brihadaranyaka- of de Chandyoga-upanishad bijwijlen als crypto-boeddhistisch bekeken werden.

Reeds A.L. Basham (The Wonder that was India, 1954), G. Ch. Pande (Studies in the Origin of Buddhism, 1957) en L.M. Joshi (Brahmanism, Buddhism and Hinduism, 1973 en Studies in Buddhist Culture of India, 1977) vonden dergelijke ‘toevalligheden’ een bevreemdend verschijnsel.  Bij gebrek aan degelijk historisch bewijsmateriaal, weigerden zij weliswaar definitieve hals-over-kop-gooiende uitspraken over deze situatie te doen, maar beperkten ze zich tot de vaststelling dat die anti-brahmanistische reacties resulteerden uit een zowel politiek als economisch relict-denken van de pre-Arische (d.i. de zgn. Indus - cultuur) resterende religieuze motieven.  Dit zou dan meteen ook bvb. de snelle verspreiding van de boeddhistische en jainistische doctrines kunnen verklaren, vermits het aan 98 % van de bevolking (de krijgerskaste incluis!) verboden was kennis te nemen van de Veda’s.  Zodat ze voor hun religieuze behoeftes onvermijdelijk aangewezen bleven op een of ander voorouderlijk geloof.

Bij het historisch-wetenschappelijk onderzoek was uiteraard het grote probleem dat van de onleesbaarheid van het pre-Arisch geschrift.  De namen (en/of zinnen?) op de vele zegels van Mohenjodaro en Harappa konden immers tot nu toe niet betrouwbaar ontcijferd worden.  Er werden daartoe heel wat pogingen ondernomen maar die leidden tot op heden niet tot betrouwbare resultaten.  Dergelijke onzekerheid was de onvermijdelijke aanleiding tot de dolste fantasieën maar misschien toch ook tot misschien bruikbare hypotheses.

Een voorbeeld van zo’n samengaan van fantasie en hypothese is het - zeer drastische! - boek van Swapan K. BISWAS, waarvan reeds de titel een karrenvracht vragen oproept: Buddhism, the Religion of Mohenjodaro & Harappa Cities Delhi 1999.)  Volgens de auteur zou het boeddhisme niet een reactie zijn op het Brahmanisme, maar wél de oorspronkelijke doctrine van de pre-Arische bevolking.  Het zou dus niet ontdekt,  maar herontdekt zijn geworden door Gautama Śakyamuni Buddha.  Het zou de religie van de Indus-cultuur geweest zijn, een gevolg van de predikingen van de aan Gautama voorafgaande Boeddha’s (waarvan de Pali-kanon ons verschillende lijsten aanbiedt).  Ook in sommige zuilteksten van koning Aśoka worden deze Boeddha’s bij naam vermeld.  Biswas verwijst verder, maar niet altijd even overtuigend, naar bepaalde archeologische vondsten of ‘verwaarloosde’ elementen die hij in de zin van zijn hoofdthema interpreteert.  Vaak begaat hij hierbij taalhistorische vergissingen (bvb. het Pali als taal van de Boeddha) of zoekt hij verwantschappen die historisch onhoudbaar zijn, zoals een ‘gelijkenis’ tussen het Mohenjodaro geschrift en de lettertekens in Aśoka’s inscripties, waarbij hij een vacuüm van zowat 1.500 jaar over het hoofd ziet.

Al met al krijgt men de indruk dat Biswas’ affirmaties geen historische diepgang bereiken, maar dat via zijn polemische overdrijvingen het eigenlijke probleem noch opgelost noch uit de weg gestoten is.  Hierbij komen ook overwegingen van nationalistische aard: het brahmanisme is immers een ingevoerde, d.i. vreemde religie, terwijl het boeddhisme inheems is.  Wat zijn succes in de laatste eeuwen vóór onze tijdrekening mede zou verklaren…

Ekō 90

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home