Editoriaal

Zo ongeveer rond de tijd dat U dit tijdschrift ontvangt, zal de lente ‘officieel’ begonnen zijn.  Maar om dit te weten hebben wij natuurlijk geen kalender nodig: niet alleen de toverhazelaar was reeds halverwege de winter tot bloei gekomen, sedert enkele weken zijn de krokussen er opnieuw, de wilgen schieten reeds door, de eksters, de tortelduiven, het geroezemoes van nieuw leven is al begonnen…  

Deze overgang van rustende natuur naar actieve natuur vervult de meeste wezens met ware vreugde.  Het is goed om even stil te staan bij de aard van deze vreugde.  Dit is geen vreugde die vergelijkbaar is met het gevoel wanneer wij een nieuwe auto of loonsopslag hebben gekregen.  Dit gaat veel dieper. 

Lente betekent voor ons hernieuwing van het leven, een nieuw begin.  Véél meer dan op die administratieve 1 januari, krijgen wij een gevoel van ‘nieuwe kansen’.  Het leven is altijd even krachtig aanwezig, maar wij ervaren in de loop van de winter toch een gevoel van verlatenheid en eenzaamheid.  De lente laat ons voelen, dat het leven doorgaat, dat wij nooit alleen zijn, en dat onze vreugde samenhangt met de wetmatigheden in de natuur. 

De Jodō-Shinshū is heel bijzonder gericht op de beleving van deze natuurlijke cycli: de mens is een deel van dit natuurlijk gebeuren; ook in ons, ervarende, voelende wezens,  is de wetmatigheid van de seizoenen aanwezig.  Het feest van Higan-e, dat dit jaar in de tempel op 24 maart gevierd wordt,  verwijst ons naar het wezen van het ‘lentegevoel’ en vraagt ons om dieper door te denken hierover.  Als de lente ons zoveel vreugde verschaft, betekent dit dan niet dat wij een bijzondere band hebben met alles wat ons omringt?  Doet het niet een besef ontstaan, dat wij diep verbonden zijn met de rest van de natuur, dat de vreugde van de vogel in de tuin, de verrukking van de kat die weer buiten in de zon kan slapen, het uitbundig enthousiasme van voetballende kinderen op het plein, ook onze vreugde is.  O’Higan doet ons mijmeren over ons eigen wezen, dat onlosmakelijk afhankelijk is van het Onmeetbare leven zelf, en geeft ons de kans, over onze spirituele weg na te denken.  Want uiteindelijk, dit ‘lentegevoel’ kunnen wij elke dag van het jaar, elke dag van ons leven, elk moment ervaren, iedere keer wij ‘namu amida butsu!’ uitspreken.  Elk ogenblik, ook in het diepste duister van de winter, in het diepste duister van ons leven, als alles tegen zit, klinkt de Nembutsu als een herinnering dat alles zal voorbijgaan, dat het al voorbij is, dat de nieuwe mogelijkheden zich reeds aangeboden hebben. 

In vroegere vormen van het Reine Landboeddhisme werd gemediteerd op de ondergaande zon in het westen, waar symbolisch het Reine Land gelegen is.  Door deze zon te visualiseren in het gemoed, kon men naderen tot het Reine Land.  De astronomische lente begint op het moment waarop de zon precies in het westen ondergaat, het moment waarop dag en nacht even lang zijn.   Deze equinox is aldus hét referentiepunt dat verwijst naar de essentie van het Reine Land.  Men noemt O-Higan, dat zich trouwens ook in de herfst voordoet - een pāramitā-feest.  Wij kennen allemaal de zes paramita’s die een bodhisattva moet naleven, om uiteindelijk, bij de vervolmaking, de andere oever te bereiken, en boeddhaschap te realiseren.  Het Reine Land in het westen beschouwen, is met de andere oever een relatie aangaan.

Aanvankelijk komt die relatie misschien maar één keer per dag tot leven, bij het bekijken van de ondergaande zon, of twee keer per jaar bij de lente- en herfstovergangen, maar uiteindelijk zal deze relatie zich élk moment voordoen, wanneer het volstrekte vertrouwen zich gevestigd heeft in ons gemoed.  Zoals de myōkonin O-Karu zegt:     

How grateful I am!
Leaving it all to
The wind of the Dharma,
I feel
It is always spring.

(M.S.) 

Ekō 92

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home