Filosofie En Mystiek Van De Jodō-Shinshū (5)

Dit is het vijfde deel van een reeks bijdragen, gebaseerd op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū door Sh. A. Peel worden belicht. [1]   Er werd zoveel mogelijk naar gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven.  Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker.

De Patriarchen

‘Grote śastra-schrijvers uit Indië, het westelijke land,en edele meesters uit China en Japan hebben de ware reden waarom de Grote Wijze ter wereld kwam uiteengezet en verkondigd dat Tathagata’s Voortijdelijke Gelofte bedoeld is om de wezens ongeacht hun capaciteiten te bevrijden.

De ‘ware Leer van het Reine Land’ ligt expliciet en impliciet vervat in de boodschap van de historische Boeddha Śakyamuni, maar wordt in de geografische en historische evolutie van de boeddhistische wereld verder ontwikkeld, geïnterpreteerd en uitgediept.  In de mening van Shinran Shonin is dit, wat het Reine Landpad betreft, geschied door een serie van zeven ‘Patriarchen’, die soms door vele eeuwen van elkaar gescheiden zijn.  Het betreft twee Indische, drie Chinese en twee Japanse leraren en wijzen.  Het woord ‘patriarch’ moeten we met een korreltje zout nemen.  Het woord, dat vooral gebruikt wordt in joodse context, suggereert een aura van autoriteit, en dat is niet compatibel met de rol die de zeven leraren uit India (Nagarjuna en Vasubandhu), China (T’an-luan, Taoch’o en Shantao) en Japan (Genshin en Hōnen) speelden bij de vorming van de Jodō-Shinshū [2] .

Shinran koos deze leraren voor de volgende redenen:

  1. elk van hen wees de weg naar Geboorte in het Reine Land door Amida’s Voortijdelijke Gelofte,
  2. elk van hen had over de Reine-Landlering geschreven en kon dus geraadpleegd worden;
  3. elk van hen gaf een hoogstaande ofschoon verscheiden interpretatie van die Lering.

Wanneer Shinran zichzelf een nieuwe naam heeft gegeven, heeft hij daarmee zijn eerbied voor bepaalde ‘patriarchen’ willen weergeven.  Shin-ran bestaat immers uit twee tekens ontnomen aan de Chinees-Japanse benamingen voor Vasubandhu Se-SHIN en Don-RAN.

A. De Indische Patriarchen

1. Nagarjuna (2e - 3e eeuw n.C.)

Zijn filosofie is gegrondvest in het fundamenteel boeddhistische begrip ‘Pratitya Samutpada’: alle verschijnselen bestaan alleen in een interrelationeel verband met alle andere verschijnselen, zodat ze geen eigen, autonome realiteit hebben. 

Nagarjuna ontwikkelde hiervoor een logica die tot niet-conceptualiteit en niet-dualiteit komt.  De vierde uitdrukking ‘noch-noch niet’,van het door hem ontwikkelde logische tetralemma wijst op het niet-relevant zijn van conceptuele vragen, en op het niet-onderscheidbaar zijn van nirvana en samsara en het overtreffen van de begrippen ‘zijn’ en ‘niet-zijn’; een inzicht waar  Shinran Shonin zich bijzonder door aangetrokken voelt…

Zolang de in discursief denken levende mens de dingen en/of wezens - zichzelf inbegrepen - voor een ultieme werkelijkheid houdt, kan hij zich niet uit de lijdenswereld losmaken.  De innerlijke situatie waaruit deze gehechtheden verdwenen zijn kan ‘leegheid’ (sūnyatā) geheten worden.  Leegheid is een negatief begrip enkel ten opzichte van deze gehechtheden.  Soteriologisch wordt leegheid als een positief begrip ervaren.

Voor Nagarjuna is het onmogelijk de absolute waarheid (‘paramārtha-satya) te kennen - en dus te verwerven - via het discursieve denken, dat immers in relaties en conceptenspel gevangen blijft.  Toch kan paramārtha-satya verworven worden, via niet-discursieve, niet conceptualiserende wegen.

Nagarjuna heeft in zijn ‘Dasabhūmika-vibhāsa-śāstra’ ook een commentaar gegeven op de problematiek van de ‘gemakkelijke praktijk’.  Hij stelt dat het moeilijke pad een pad van eigen-kracht praktijk is: het beoefenen van de zes volkomenheden, afgebakend door Wijsheid/Mededogen.  Dit pad vereist voortdurend zware inspanningen gedurende heel wat bestaansvormen.  Het gemakkelijke pad is er voor diegenen die onbekwaam zijn het moeilijke pad te volgen.  Dat bestaat in het reciteren van de namen van de Boeddha’s, afstand te doen van zelfgehechtheden door overgave aan het mededogen van de boeddha’s en de bodhisattva’s en door verlangen op te wekken naar een geboorte in een rijk van reinheid waarin alle karmische bevlekkingen getransformeerd worden tot heilzaamheid.  Dit pad omvat ook de Naam en de Gelofte van Amida Boeddha.  Het moeilijke pad omschrijft Nagarjuna als een afmattende voettocht over land, terwijl het gemakkelijke pad is als een comfortabele bootreis...  Nagarjuna is evenwel niet enthousiast over deze ‘gemakkelijke weg’: hij vindt hem net goed voor ‘dwaze lieden’…

Shinran neemt uit Nagarjuna’s tekst alleen dat wat in betrekking staat tot Amida, hoofdzakelijk het bereiken van de staat van niet-terugkeer in dit leven (op dit moment). 

Waar Nagarjuna spreekt over nien-fo als beschouwen, mediteren, leest Shinran ook ‘uitspreken’.

‘In de Leer van de Boeddha zijn er ontelbare wegen.  Dat is zoals in deze wereld, waar er een moeilijke weg en een gemakkelijke weg zijn.  De weg over land is een tocht te voet en is daardoor pijnlijk.  De weg over water is een boottocht en is daardoor aangenaam.  Het is net hetzelfde met de bodhisattva-praktijken.  Ofwel eisen ze volharding en inspanning; ofwel maken ze gebruik van het geschikte middel van het Vertrouwen: ze vorderen dan moeiteloos en bereiken snel het Stadium van Niet-Terugkeer.   (Dasabhūmika-vibhāsa-śāstra- hfst. IX)

(wordt vervolgd)

[1] Sh. A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū.  De Simpele Weg - Antwerpen 1996.  Ook beschikbaar in de bibliotheek van het Centrum.

[2] Zie hiervoor: Ruth Tabrah: Re-thinking Buddhist English’  - PL 8 -9, p. 16.

Ekō 91
Filosofie En Mystiek Van De Jodō-Shinshū

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home