Tokudo: een misverstand!

Shitoku A. Peel

Iedereen die ooit geconfronteerd is geworden met terminologische vertalingen uit Aziatische talen, weet hoe vlug men willens nillens te maken heeft met misverstanden: dit zijn ‘twijfelachtige omzettingen’ waarbij meestal tevergeefs gezocht wordt naar equivalenten uit de westerse culturen.

Denken we bv. aan het bij Shinran zo belangrijke begrip shinjin, dat we bij heel wat conventionele vertalingen naar het Engels ontmoeten als ‘faith’...

Datzelfde verschijnsel geldt beslist voor het te pas en te onpas gebruikte woord tokudo.  Dat zeker in traditioneel historische rooms-katholieke milieus verdraaid overkomt.  Het wordt er meestal getekend als ‘priesterschap’, met duidelijk daarbij de ‘sacramentele’ optie eigen aan het rooms-katholieke priesterschap.  En waarbij gewoonweg over het hoofd gezien wordt dat het boeddhisme (op enkele tantrische uitzonderingen na) geen ‘sacramentele’ noch theologische hiërarchieën kent.

Wat wordt er dan wél door deze veel gebruikte term bedoeld?  In feite betekent tokudo gewoonweg ‘registratie, geregistreerd, ingeschreven’ en dat wel zonder enige spirituele bijbetekenis.  De ‘registratie’ gebeurt in de boekhouding van een bepaalde organisatie, zoals o.a. in elk van het twaalftal Shinboeddhistische vertakkingen (waarvan Nishi Hongwanji en Higashi Hongwanji de belangrijkste zijn).  Ze duidt aan dat de drager ervan (de tokudo-nin) mag beschouwd worden als een geldig erkende functionaris die binnen bedoelde organisatie administratief en leidinggevend kan optreden, bv. om een bepaalde tempelgemeenschap in goede banen te leiden (te houden?).

Tokudo verwijst dus onmiskenbaar naar het vervullen van een functie binnen een bepaalde organisatorische instelling, maar geenszins naar een spirituele meerwaardigheid, die - zeker in een Jodo-Shinshu context - naar jiriki-afdwaling kan leiden.

Tokudo is meteen ook de énige ‘functionele’ titel in de Jodo-Shinshu.  Elke ‘functionaris’ draagt hetzelfde ‘prestige’.  Zelfs de Hoofdabt (Go-Monshu) is een tokudo-nin, ook al neemt hij in de democratische structuren van de Jodo-Shinshu een eigen spirituele plaats in, buiten zijn organisatorische functie als ‘leider’ van de hoofdtempel in Kyoto.

Het is nu eenmaal zó dat - zeker in het twaalftal Jodo-Shinshu stromingen - de tokudo-nin a.h.w. als een ambtenaar gezien wordt die zijn taak naar beste vermogen vervult (of zou moeten vervullen).  Hij is niet méér heilig dan om het even welke tempelbezoeker.  Daarnaast bestaan er wel vier ‘academische’ titels die verband houden met de ervaring, de kennis en de publicaties van academisch gevormden, gaande van kyoshi (in Europa zijn er zo’n twee) tot de hoogste juridische graad van kangaku.  Zoekt men naar ‘heiligen’, dan komt men in het Shin-Boeddhisme terecht bij de Myokonin, maar de overgrote meerderheid van deze ‘heiligen’ hebben geen tokudo afgelegd!

Het lopende misverstand is eigenlijk historisch-geleidelijk ontstaan uit de confrontatie van Japanse en Westerse (Amerikaanse) situaties.  De eerste sporen ervan zien we in Hawaii en/of Californië op het einde van de 19e eeuw, via het maatschappelijk begrijpbare streven van de boeddhistische immigrantenorganisaties om volwaardig in te passen in het Amerikaanse beeld van een ‘godsdienst’.  Dit veelal door imitatie van het (methodistische) religieuze overwicht.  Zodanig dat een tempel dra een ‘church’ werd, en de zg. tempelpriesters ‘ministers’.  Om daarbij nog niet te klagen over de overname van de basilicale architectuur en vooral - maar dat is een persoonlijk noot - het invoeren van een harmonium om ellendig vertaalde sūtra’s te begeleiden als ‘evangelical songs’.  Daarbij dient onderlijnd te worden dat de term ‘minister’ bij export naar Europa onbegrijpelijk overkwam en -zeker in Groot-Brittannië - vervangen werd door ‘priest’.  In de toenmalig protestantse middens bood (en biedt) de term ‘priest’ geen probleem.  Naar Luther en Calvijn is immers elke gelovige een ‘priest’.

Anders is het gesteld in de regionen, zoals Vlaanderen, waar volgens de rooms-katholieke traditie de term ‘priester’ niet los te haken is van zijn sacramentele betekenis.  Een ‘priester’ is immers niet enkel een ‘leraar’ (zoals ook een dominee, een rabbijn of een imam in de eerste plaats een ‘leraar’ is), maar wordt sedert eeuwen ook gezien als 1° de enige geldige uitreiker van de zeven sacramenten, en 2° als de noodzakelijke tussenpersoon tussen God en de gelovige.  Waardoor de rooms-katholieke priester een niet enkel theologische, maar ook sociaal hogere plaats inneemt.

Dit misverstand tussen enerzijds de rooms-katholieke ‘priester’ en de boeddhistische tokudo-nin als ‘tempelpriester’ ligt aan de bron van elkaars verkeerd begrijpen.  De twee weken durende tokudo-sessie (zoals er in oktober 2002 een voorzien is voor ‘vreemdelingen’), hoe vervelend en soms ergerlijk, vooronderstelt voorafgaandelijk een vierjarige universitaire studie (zelfs zonder bepaalde vakomschrijving) plus een jarenlange ervaring in tempelgebruiken en -ervaringen.  Ze leidt uiteindelijk enkel tot een ‘erkende’ inlijving in een organisatie en een plaats in haar structuur.  Een aanvraag tot de tokudo-sessie dient daarom bevestigd en voorgesteld te worden door een hiërarchisch verantwoordelijke.

Deze eisen - hoe pietluttig ze soms overkomen - worden verklaarbaar met het oog op een later te vervullen functie.  Daarbij komt ook de noodzaak van een psychische stabiliteit en een jeugdige aanpasbaarheid (persoonlijk raad ik uit ervaring een tokudo-sessie af voor personen boven de 40-45 jaar).

Om te besluiten: het is foutief tokudo te beschouwen als een spirituele, religieuze prestatie die recht geeft op publiek aanzien.  Of zoals Shinran het optekende in zijn Shozomatsu-wasan (116) als een zelfbekentenis: ‘Omwille van faam en profijt verlang ik ernaar als ‘leraar’ aanzien te worden’.  

Ekō 91

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home