De Lotusbloem Van De Universele Wetmatigheid

Martine Strubbe

Het ‘Saddharma Pundarīka Sutra’ of ‘Lotus van de Universele Wetmatigheid Sutra’ kortweg Lotus Sutra maakt deel uit van het Drievoudig Lotus Sutra, en behoort tot de oudste mahayana teksten.  Boeddha Śakyamuni  zou deze woorden uitgesproken hebben, hoewel ze pas neergeschreven werden rond 200 n.C...

In dit sutra merken we hoe het boeddhisme duidelijk andere accenten begint te leggen in de leer van de Boeddha.

Het Lotus Sutra speelt zich weliswaar nog af rond de historische Boeddha Śakyamuni, maar de nadruk verschuift toch naar de Leer zélf.  Toen zijn volgelingen hun bezorgdheid hadden geuit over zijn opvolging,  antwoordde de Boeddha: ‘Hij die de Dharma ziet, ziet mij, hij die mij ziet, ziet de Dharma’.  Was in het vroege Boeddhisme de persoon van de Boeddha zeer belangrijk, in het mahayana ziet men de Leer een meer centrale plaats innemen.  Het is deze thematiek die in het Lotus Sutra aan de orde wordt gesteld. [4]  

Het hoofdthema van het Lotus Sutra is de opvatting dat er een Universele, absolute Leer is, die altijd en overal werkzaam is. 

Toen de historische Boeddha zijn leer van de Vier Edele Waarheden verkondigde, deed hij in feite niets anders dan een universele, natuurlijke wetmatigheid onder woorden brengen: dat wat altijd is, de dingen zoals ze zijn in leegheid, vormen het ‘lichaam van de leer’: dharmakaya (Sk. ‘kāya’: lichaam, als totaliteit).  Deze universele leer is de ware Leer, de Saddharma (Sk. < ‘Sat’: ‘waar en werkelijk’, bij uitstek).  Door deze universele leer in de 6e eeuw vóór Christus uit te spreken in India in de taal van het oude Magadha,  bracht  Boeddha Śakyamuni de  Saddharma in de tijd en in de ruimte.  Dat is de dharma, de relatieve leer.

In het zestiende [5] hoofdstuk van het Saddharma Pundarīka Sutra wordt deze visie gebracht onder de vorm van een parabel.  Het is het verhaal van een geneesheer die vele zonen heeft, ‘misschien wel honderd’.   Op zekere dag moet hij op reis, en tijdens zijn afwezigheid drinken de zonen van een gif uit de apotheek van de vader.  Alle zonen worden ziek.  Wanneer de vader terugkomt treft hij zijn zonen in grote nood aan, en de geneesheer geeft ze een antigif.  Nu zijn enkele zonen verstandig genoeg om dit geneesmiddel tot zich te nemen, maar een aantal ondankbare, luie zonen weigeren dit, of ze hebben geen vertrouwen in het geneesmiddel.  De vader-geneesheer is natuurlijk ongelukkig met deze gang van zaken, en zoekt naar een geschikt middel om zijn onwillige zonen ertoe te bewegen het medicijn tot zich te nemen: hij plaatst het geneesmiddel binnen handbereik, vertrekt op reis, en laat weten dat ‘hij gestorven is’.  Bij het horen van het nieuws barsten de zonen in gejammer los.  De luie zonen nog het meest: zij voelen zich ‘reddeloos’ verloren, ziek zijnde en zonder vader/geneesheer.  Ze herinneren zich echter het medicijn, drinken ervan en genezen…

De vader/geneesheer die zijn zonen een geneesmiddel aanbiedt verzinnebeeldt Śakyamuni Boeddha die hier als Saddharma opereert in tijd en de ruimte en de Leer (het geneesmiddel) verkondigt.

De Vader is ‘gestorven’,  maar hij is toch niet gestorven.  Het lijkt alleen maar zo. 

De Saddharma is altijd aanwezig, ook als er geen Boeddha is om ze te verkondigen.  De mogelijkheid om de Universele Wetmatigheid in de wereld te brengen blijft altijd aanwezig.

‘(…)Net zoals die arts, ervaren in geschikte middelen, die ter wille van zijn verkeerd denkende zoons hen zei dat hij gestorven was, ofschoon hij nog leefde.  Toch zal geen enkel redelijk denkend mens die arts van bedrog beschuldigen.

‘Aldus ben ik de vader van de wereld, de zelf-geborene, de genezer, de beschermer van alle wezens. Wetend hoe begoocheld, zelfingenomen en onwetend ze zijn leer ik hen de uiteindelijke rust - terwijl ik zelf nooit ter ruste ben. 

Welke redenen zou ik hebben om mij  onophoudelijk te manifesteren?  Wanneer de mensen ongelovig, onwijs, onwetend, zorgeloos verzot op zinnelijke geneugten, gedachteloos en weigerig zijn, komen ze onvermijdelijk in ellende terecht. 

Daarom verklaar ik, ik die de gang van de wereld ken: in waarheid, ik ben zo.  Hoe kan ik die wezens tot Verlichting ombuigen?  Hoe kunnen ze Boeddhaleringen deelachtig worden?’ (Hfst. 16)

Naast het thema van de Universele Wetmatigheid, klinkt hier een oproep om Vertrouwen (Skr. śraddhā) te hebben, ook als de omstandigheden hopeloos lijken.  De tekst toont ook het belang van de geschikte  middelen (upāya kauśalya) in het mahayana boeddhisme.  De Vader heeft zijn zoons duidelijk voorgelogen.  Hoewel de śila  voorstelt geen woorden van onwaarheid te spreken, doet de vader dat toch.  Het (spirituele) doel heiligt de middelen!  Daardoor wordt ook duidelijk dat er voor het boeddhisme vele methoden zijn naar het heil.

Een lotusbloem heeft een wortelstelsel dat zich in de modder horizontaal vertakt.  Vanuit die basis schieten de lotusbloemen naar omhoog.  Boven het water lijkt het dan alsof  de lotus op zichzelf staat, maar in de modder blijkt de onderlinge verbondenheid tussen de bloemen.  De lotusbloem  symboliseert het mahayana-boeddhisme: de bodhisattva  verbindt zijn lot aan dat van alle wezens, en stelt Verlichting uit tot alle wezens op het Grote Voertuig mee de Verlichting kunnen realiseren…Geboren worden in het Reine Land, is geboren worden in een lotus: aangeraakt door de modder van samsara,  maar er niet door bezoedeld.

[4] In de latere mahayana sutra’s zet deze tendens zich verder door.  De ‘kosmische boeddha’s’ verschijnen ten tonele, als belichaming van de leer.

[5] Katō/Soothill versie, zoals gepubliceerd door Koseī Publishing Co.   Afhankelijk van de versie kan de nummering van de hoofstukken afwijken!

Ekō 93

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home