Filosofie En Mystiek Van De Jodō-Shinshū (8)

Dit is het achtste deel van een reeks bijdragen, gebaseerd op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū door Sh. A. Peel worden belicht. [1]

Er werd zoveel mogelijk naar gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven.  Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker.

De Patriarchen.

1. Nagarjuna [2e - 3e eeuw n.C.]

2. Vasubandhu [4e - 5e eeuw (?) n.C.]

3. T’anluan [476 - 542 n.C.]

4. Taoch’o [562 - 645]

Aanvankelijk was hij een beroemd meester in het Nirvana - Sutra dat hem sterk aansprak omwille van de uitspraak dat alle wezens, hoe ze ook zijn, Verlichting kunnen realiseren dankzij Oneindig Mededogen.  Later, na kennismaking met het Reine-Landboeddhisme, beschouwde Taoch’o zich als geestelijke erfgenaam van T’anluan, wiens graf hij had bezocht in de Hsūan-chung-ssu tempel.  Hij nam zich voor de Reine Landlering verder te verspreiden en steunde zich vanaf nu voornamelijk op het Meditatie-Sutra.

In zijn hoofdwerk, An-lo-shi, dat een commentaar is op het Meditatie-Sutra, introduceert Taoch’o begrippen die reeds bestaan in het boeddhisme, maar die hij nu een typische Reine-Landkleuring geeft.  Zijn bekendheid heeft hij te danken aan zijn uitspraken over de evolutie van de menselijke geest en de plaats van de mens in de wereld.

Hij is o.a.  begaan met de vaststelling dat alle samengestelde dingen onderhevig zijn aan veranderlijkheid, dus ook deze in de wereld verkondigde dharma - in tegenstelling tot de Leer als Absolute Waarheid, de Saddharma.  Deze van oudsher in het boeddhisme aanwezige gedachtegang deelt de geschiedenis van de Leer in 3 tijdperken in:

1. Periode van de Ware Leer (Skr. Saddharma), een periode van 500 jaar na Gautama Boeddha’s parinirvana.  Tijdens dit tijdperk kan Verlichting gerealiseerd worden.

2. Hierop volgt de periode van de Schijnbare Leer, (Skr. pratirūpa-dharma), waarin de uiterlijkheden van de Dharma bewaard blijven: discipline, symboliek, monniken, tempels…maar verwezenlijking van de Leer blijft uit o.a. omdat men zich overgeeft aan intellectuele discussies en speculaties.  Deze periode zou, volgens de diverse bronnen, 500 of 1000 jaar duren.

3. Dan breekt de periode van de Vervallen Leer aan (Skr. pasci-dharma- J. Mappō) die verondersteld is 10 000 jaar te duren; elke vorm van doeltreffende praktijk is verdwenen en enkel een schijn van Boeddha-dharma blijft nog over.

Deze derde periode wordt gevolgd door een tijdperk van onbepaalde duur, die van de Verdwenen Leer.  Tijdens dit dharmaloze tijdperk is elk spoor van de Dharma uitgewist, totdat er weer een Boeddha verschijnt.

Het is deze notie van mappō die Taoch’o bezighoudt : bij zijn (overigens foutieve) berekeningen stelt Taoch’o vast dat hij en zijn tijdgenoten zich bevinden in de mappō - situatie, d.i. dat voor hen elke mogelijkheid van bevrijding uit geboorte-en-dood uitgesloten is.   Uit het Nirvana-Sutra en uit het Meditatie - Sutra spreekt hem echter Amida als Oneindig Mededogen sterk aan: de ‘onmetelijke werkzaamheid van het Hinderloze Licht’ kán niet beperkt worden door een louter tijdsgebeuren.

Taoch’o is in staat deze mappō situatie te verbinden met Oneindig Mededogen, door Nagarjuna’s onderscheid tussen ‘moeilijke’ en ‘gemakkelijke’ praktijken (Ekō 91) aan te wenden, in combinatie met T’anluan’s jiriki/tariki (Ekō 93).

Zo komt Taoch’o tot volgende classificatie van de boeddhistische scholen van zijn tijd:

- een Weg der Wijzen  d.i. die van de zelfkrachtpraktijken, nl. de conventionele boeddhistische scholen gebaseerd op moraliteit, meditatie, ritueel enz..., en

- een Weg van het Reine Land, gebaseerd op de werkzaamheid van de Ander-Kracht. (J. Jōdomon) 

Volgens Taoch’o heeft mappō alleen betrekking op de Weg der Wijzen.  De tijd is té ver van Gautama verwijderd, de volgelingen zijn verwaterd, en de Leer is té diepzinnig om nog volledig begrepen te worden…Ook historische en maatschappelijke omstandigheden hebben bijgedragen tot deze pessimistische visie: in India was het boeddhisme aan het verdwijnen, in China werd het boeddhisme geclericaliseerd, er waren vervolgingen…

Aldus is Jōdomon, de enige weg die nog naar de Verlichting (geboorte in het Reine Land) leidt.  Alleen de nembutsu kan nog met efficiëntie gebruikt worden, want Jōdomon is volledig onafhankelijk van conventionele zelfkrachtpraktijken, en ook van de ethisch-karmische evaluatie van handelingen.

Zo komt Taoch’o ertoe de 18e gelofte te herformuleren in zijn An-lo-chi:

‘Zelfs als er wezens zijn die hun hele leven lang het slechte gedaan hebben en als hun levenseinde nadert herhalen ze tienmaal achtereen mijn Naam, moesten ze niet geboren worden, dan zal ik de Verlichting niet verwezenlijken.’

Hierbij heeft hij de 18e gelofte zoals ze voorkomt in het Grote Sutra op twee punten aangepast:

- hij laat de beperking ‘uitgezonderd diegenen die de vijf zware vergrijpen begaan hebben en de Ware Leer beklad hebben’ weg (onder invloed van het Nirvana-Sutra?);

- hij voegt een nieuwe zin toe: ‘…die hun hele leven lang het slechte gedaan hebben’.

Nien-fo heeft voor Taoch’o een meer ‘praktische’ betekenis dan voor T’anluan.  Taoch’o verstaat onder nien-fo (1) contemplatie van Boeddha en het Reine Land, zoals beschreven in het Meditatie-Sutra, (2) de gangbare meditatieve praktijken en (3) het luidop herhalen van de Naam.  De bedoeling van deze praktijken (die Shinran later de ‘gemengde praktijken’ zal noemen want een combinatie van jiriki en tariki) is hoofdzakelijk een onverstoorde geestesconcentratie, en het verwekken van een diep besef van  Amida’s wezen.  Om elke afleiding van deze éénsgerichtheid te vermijden, dient het reciteren continu te zijn.  Gezegd wordt dat Taoch’o dagelijks 70 000 maal de nembutsu reciteerde.  Ook het invoeren van de kralenkrans (juzu of nenju) als telinstrument wordt aan Taoch’o toegeschreven.

Shinran vond Taoch’o interessant omwille van diens visie op mappō.  Hoewel zijn berekening niet precies overeenstemt met deze van Taoch’o, had ook Shinran een diep besef van teloorgang van de Leer.   Zijn land werd dooreengeschud door burgeroorlogen, natuurrampen, epidemieën, hongersnood; de boeddhistische instituties waren gecorrumpeerd, de boeddhistische geleerdheid verlustigde zich in scholastiek, geheime leringen en elitarisme; de Leer en de vruchten van de Leer werden ontzegd aan de ‘gewone’ mens.

Shinran vond de mens ‘van nature uit tot de hel veroordeeld.’  Niet zozeer ethisch, maar vooral spiritueel is de mens fundamenteel slecht, in die zin dat hij onbekwaam is de moeilijke praktijken te vervullen.

Ook voor hem blijft het onvoorwaardelijk vertrouwen in Amida als Groot Mededogen het enige dat overblijft.  De ‘gemengde praktijken’ van Taoch’o wijst hij echter consequent af.

In Shinrans Kyōgyōshinshō wordt nagenoeg de gehele tekst geciteerd van Mappō-Tōmyō-ki, een werk over Taoch’o’s opvattingen, (vermoedelijk) geschreven door Saichō (767 - 822).  Ook voor zijn Shōzōmatsu-wasan, ‘De Hymnen over de Laatste Tijden’, waren de opvattingen van Taoch’o een inspiratiebron voor Shinran.

[1] Sh. A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū.  De Simpele Weg - Antwerpen 1996.  Ook beschikbaar in de bibliotheek van het Centrum.

Ekō 94
Filosofie En Mystiek Van De Jodō-Shinshū

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home