Het Kamakura-Boeddhisme En De Leer Van Het Reine Land -
Grondslagen Van De Vestiging Van Het Boeddhisme In Japan (1)

Kōyū Sonoda

Inleiding

In het midden van de 6e eeuw kwam het boeddhisme naar Japan.  Zeshonderd jaar later, in de twaalfde en dertiende eeuw, ontstonden nieuwe scholen zoals de Nembutsu-, Zen- en Nichirenscholen, die men gezamenlijk aanduidt met het begrip ‘Nieuw Kamakura-boeddhisme’ (J. Kamakura shinbukkyō).  Deze scholen hebben zich wat betreft Leer en organisatievorm aangepast aan het denken en voelen van de Japanner, zodat men kan spreken van Japanse vormen van boeddhisme.  Bij latere ontwikkelingen in de hoofdstromen van het boeddhisme,  werden altijd de scholen van het ‘Nieuw Kamakura-boeddhisme’ als referentie gebruikt.

Wat zijn nu de specifieke kenmerken van dit  ‘nieuwe’ boeddhisme, of het Japanse boeddhisme?  Van welke aard is de specificiteit van het Japanse boeddhisme?  Om deze problematiek te benaderen willen wij een overzicht geven van de ontwikkeling van het boeddhisme in de eeuwen vanaf het binnenkomen van het boeddhisme in Japan tot aan het ontstaan van het ‘Nieuw Kamakura - boeddhisme’.

De Historische Achtergrond van de Overlevering van het Boeddhisme naar Japan

Nadat het boeddhisme in het midden van de eerste eeuw na Christus via de Zijderoute China had bereikt, verspreidde het zich vlug naar alle delen van het land.  In het tijdperk van de Noordelijke en Zuidelijke Dynastie (317 - 589) verspreidde het boeddhisme zich ook naar het Koreaanse schiereiland: rond 372 kwam het voor het eerst naar het koninkrijk Koguryo, en rond 374 naar Paekche.  Het koninkrijk Silla maakte relatief laat kennis met  het boeddhisme, in het midden van de vijfde eeuw…

In het begin van de zesde eeuw was Keizer Wu (reg. 502 - 549) van de Chinese Zuidelijke Liang  het boeddhisme genegen, en de cultuur van het Zuid-Chinese boeddhisme oefende haar invloed uit tot in het Koreaanse schiereiland.  Paekche nam in het jaar 512 voor het eerst diplomatieke kontakten op met de Liang-dynastie; via gezanten werd de volledige boeddhistische cultuur overgenomen van de Zuidelijke dynastie.  Ook Silla volgde dit voorbeeld: in het jaar 527 werd het boeddhisme er openlijk aangenomen. 

De overlevering van het boeddhisme naar Japan kan men als een ‘nawee’ van deze Koreaanse evolutie beschouwen,…Toen de Japanse Keizer Kimmei (reg. 539-557) met zijn  ministers de voor- en nadelen van een overname van het boeddhisme besprak, opperde de pro-boeddhistische Soga no Iname ‘Alle westelijke landen vereren het.  Zal alleen Japan het de rug toekeren?’.  Het boeddhisme was toentertijd een in de Oost-Aziatische wereld wijd verbreide, grensoverschrijdende religie, en het laat zich raden dat in de toenmalige internationale samenhang er een zekere noodzakelijkheid bestond om deze religie over te nemen.

Hoe is nu de overname van het boeddhisme aan Japanse zijde mogelijk geworden?  De oudste vorm van de oorspronkelijke religie van de Japanner was een primitief animisme, dat in de Jōmon-Periode ontstaan is.  Toen in het begin van de Yayoi-Periode de landbouw ingevoerd werd, ontstond het geloof aan godheden die met de landbouw - voornamelijk de rijstteelt - verbonden waren.  Ongeveer in dezelfde periode kwam het van Siberië tot aan de kusten van de Stille Oceaan verbreide sjamanisme naar Japan.  De landbouwceremonieën, vooral in verband met de rijstteelt, werden in de grondvormen van de oudste shinto - rituelen opgenomen.  Ook sjamanistische gebruiken om contact te zoeken met godheden die afdaalden uit de ‘bovenwereld’, begonnen samen met geestesbezweringen en orakels deel uit te maken van de religieuze belevingswereld van de Japanner. 

Aan het begin van de Kofunperiode steeg de landbouwproductie sprongsgewijs, waardoor de klassenmaatschappij en de uniforme eenheidsstaat ontstond.  In diverse situaties, zoals bij het ontsluiten van cultuurgronden of bij veroveringsoorlogen, begon zich meer en meer het fenomeen van ‘clanleiders’ te profileren.  Deze evolutie  reflecteert zich in het ontstaan van voorstellingen van antropomorfe godheden. 

Aldus was er in Japan vóór de aankomst van het boeddhisme een duidelijk godsbeeld aanwezig; er had zich een ‘oer - shinto’ ontwikkeld dat over ceremonieën en mythen beschikte die doordrongen waren van antropomorfe godsvoorstellingen. 

Dit was de bodem waarop het boeddhisme in Japan zich ging vestigen.  Men zegt dat in de tijd van de komst van het boeddhisme de oorspronkelijke Japanse godheden ‘kuni tsu kami’-‘landsgoden’- werden genoemd, terwijl de Boeddha een ‘adashikuni no kami’ - een God van een barbaars land - werd genoemd.  Ook hierin weerspiegelt zich iets van het toenmalige religieuze klimaat.              

                                                                       (wordt vervolgd)

(Bron: Ekō-Blätter - Mitteilungen des Eko-Hauses der Japanischen Kultur - Düsseldorf - Heft 14 - Herbst 2001: ‘Der Kamakura-Buddhismus und die Reine-Land-Lehre.  Grundzüge der Japanischen Buddhismus-Rezeption’  Overgenomen met toestemming en vrij vertaald door M. Strubbe)

Ekō 94
Het Kamakura-Boeddhisme En De Leer Van Het Reine Land - Grondslagen Van De Vestiging Van Het Boeddhisme In Japan

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home