Filosofie En Mystiek Van De Jodo-Shinshu (9)

Dit is het negende deel van een reeks bijdragen gebaseerd op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū’ door Sh. A. Peel worden belicht. [1]

Er werd zoveel mogelijk naar gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven.  Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker.

De Patriarchen

Nagarjuna [India - 2e - 3e eeuw n.C]
Vasubandhu [India - 4e - 5e eeuw (?)]
T’anluan [China - 476 - 542]
Taoch’o [China - 562 - 645]

Shantao [China - 613 - 581]

Shantao ontmoette op 20-jarige leeftijd Taoch’o, en kwam in de ban van de Reine Landlering.  Gaandeweg werd hij de belangrijkste meester van de Reine Landstroming.  Men zegt dat hij tienduizenden afschriften van het Meditatie-Sutra en meer dan 300 rolschilderingen van het Reine Land zou hebben vervaardigd…Hij paste als eerste de Reine Landpraktijken toe in zo goed als autonome Reine Landscholen, los van de conventionele boeddhistische stromingen. 

Shantao voelt zich dus, net als zijn voorganger ook aangetrokken door het Meditatie-Sutra.  Zijn belangrijkste werk is dan ook een omvangrijk commentaar erop, de Kuan-wu-liang-shou-ching ssu-t‘ieh-su.

Shantao onderscheidt twee soorten ‘juiste praktijken’ voor Geboorte in het Reine Land:

1. Meditatieve praktijken met Amida en de kenmerken van het Reine Land als voorwerpen van meditatie.  Hij ziet zo 13 nuttige meditatiepraktijken gebaseerd op concentratie/meditatie en 3 niet meditatieve nuttige praktijken - gelijk te stellen met moraliteit.

2. De nien-fo praktijk die feitelijk een ‘denken/mediteren over’ de Boeddha is, als het oraal/verbaal uitspreken van de Naam.  Hij ziet de 18e gelofte als de ‘Universele Gelofte voor Geboorte door Nien-Fo’.

Praktisch stelt hij zijn ‘juiste praktijken’ voor in een vijfvoudige indeling:

1. Lezen (reciteren) van sutra’s (de 3 Amida sutra’s én andere!)
2. Contemplatie op visualiseringobjecten als Amida en de kenmerken van het Reine Land;
3. Huldigen van de Boeddha via beelden en schilderingen, in uiterlijke vormen zoals buigingen, wierook, bloemen, handvouwen e.d.m.
4. Uitspreken van de Naam (nl. de 10 x nien-fo uit het Meditatie-Sutra en zoals in de 18e gelofte).
5. Loven en prijzen van de verdiensten van de Boeddha, door o.m. offergaven. 

Hierbij noemt hij het uitspreken van de Naam (punt 4!) de ‘juiste praktijk onder de juiste praktijken’, de enige handeling die ons de zekerheid geeft van Geboorte in het Reine Land.

Waarom Shantao aan de nien-fo de hoofdrol heeft gegeven is niet duidelijk.  In het Meditatie-Sutra wordt deze praktijk nl. uitsluitend bestemd voor de laagste graad…

Ook zijn interpretatie van de 18e gelofte varieert nog wel eens.  Hoewel in de 18e gelofte nadrukkelijk over de 10 x nien-fo wordt gesproken, en ondanks het feit dat Shantao de (verbale) nien-fo de ‘juiste praktijk onder de juiste praktijken’ noemt, handelt meer dan de helft van de vier delen ‘Commentaar’ over de meditatieve praktijken.

De functie van de nembutsu bij Shantao is bijgevolg niet erg duidelijk, evenmin als de verhouding jiriki/tariki.  De parabel van het Witte Pad, dat afkomstig is van Shantao, toont een jiriki aandeel: Śakyamuni spoort aan tot gaan (=jiriki), Amida Boeddha spoort aan tot komen (=tariki).  Deze relatie kan ook omgezet worden naar het verschil tussen Shantao’s ‘uitspreken’ van de Nembutsu en Shinrans ‘horen’ van de Nembutsu.

Shinran Shonin is getroffen geweest - ondanks enkele meningsverschillen - door het doorslaggevende belang dat Shantao hechtte aan de Nembutsu praktijk als verbale expressie. 

Ook was Shinran getroffen door Shantao’s omschrijving van het ‘Diepe Gemoed’, als een gemoed dat een diep vertrouwen en een besef in twee niveaus aanduidt:

1. het vertrouwen in zichzelf, mogelijk geworden door de ontmoeting met zichzelf als bombu, waarbij het eigen spiritueel onvermogen ontdekt is geworden;
2. het vertrouwen in Amida’s Voortijdelijke Gelofte, de ontmoeting met de Leer, waardoor bevrijding uit ‘geboorte-en-dood’ mogelijk is geworden.

Het betreft hier niet twee aparte vormen van vertrouwen, maar om twee aspecten van Diep Vertrouwen die voortkomen uit de werking van de Ander-Kracht, enerzijds de heldere expressie van de introspectie een door bevlekkingen getekend wezen te zijn, anderzijds de band met het absolute Mededogen.  Deze twee aspecten komen samen in wat Shantao het Gemoed van Vrede (Anjin) noemt.

Het grote onderscheid tussen Shantao en Shinran kan als volgt worden samengevat:

Voor Shantao primeert het Meditatie Sutra, dat voor Shinran slechts een upāya is, een voorlopig geschikt middel.  Shinran hecht meer belang aan het Grote Sutra.

Voor Shantao is de Nembutsu de noodzakende oorzaak van Geboorte; bij Shinran is de verwezenlijking van shinjin in dit bestaan hoofdzaak.

Shantao ‘spreekt’ de Nembutsu van de volgeling, Shinran ‘hoort’ Amida’s Nembutsu.

Shantao erkent en aanvaardt hulppraktijken naast de Nembutsu-praktijken.  Voor Shinran zijn de Nembutsu en eventuele hulppraktijken enkel betuigingen van dankbaarheid.

***

‘Het Diepe Gemoed is het Ware Shinjin.  We beseffen dat we gewone mensen zijn, vol boze driften, met magere en zeldzame wortels van verdiensten, zwervend doorheen de drie werelden en niet uit dit brandende huis ontkomend.  En het besef dat, dank zij Amida’s Universele Gelofte, zij die de Naam uitspreken als is het maar tienmaal of [zelfs] éénmaal, voorzeker de Geboorte zullen verwezenlijken, is zodanig dat geen enkele twijfel meer ons kan binnentreden.  Daarom wordt dit het Diepe Gemoed genoemd.’

(Shantao in ‘Wang-sheng-li tsan’)

[1] Sh. A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū’.  De Simpele Weg - Antwerpen 1996.  Ook beschikbaar in de bibliotheek van het Centrum.

Ekō 95
Filosofie En Mystiek Van De Jodo-Shinshu

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home