Mededogen Als Verdraagzaamheid

Katharina Haemers

Wijsheid en Mededogen: mooie woorden die het fundament vormen voor de levensvisie die door de Leer van de Boeddha geïnspireerd is. Maar aan mooie woorden in religieuze teksten is er geen gebrek. Belangrijker is  te ontdekken waar deze mooie woorden voor staan. Wat is hun inhoud?

De wijsheid in het boeddhisme zit niet in het denken, het opzetten van mooie en troostende gedachteconstructies. De wijsheid zit in het kijken en het zien, in de aandacht voor de werkelijkheid. Boeddhisme is de religie van de aandacht. Het oog is het instrument van de wijsheid samen met het zintuig dat de geest is. Kijken naar de wereld ‘zonder stof op de oogleden’, vanuit een gemoedstoestand  zonder begeerte of haat. De ogen niet sluiten voor datgene wat men liever niet wil zien.

Inzicht  verwerven om diep door te dringen in de ware aard van het menselijk bestaan, dat is de bedoeling.

Het menselijk verlangen gaat uit naar geluk en welbehagen, naar houvast en zekerheid. Toch is dat niet in overeenstemming met wat wij in de wereld ervaren, noch aangaande de mens, noch aangaande het leven zelf. De werkelijkheid is getekend door  onvolkomenheid en tekort. Niets is zeker, alles is veranderlijk: de mens maakt daarop geen uitzondering.

Het is angst en afkeer die de mens de ogen doet sluiten voor datgene wat niet  in zijn  wereld van illusies past. Het is het verlangen dat de mens voortdrijft, blind voor wat hij op weg naar zijn doel vernielt.

Wanneer dan ontgoocheling en pijn het antwoord zijn op de ongebreidelde gedrevenheid, wordt de oorzaak daarvoor buiten de mens gesitueerd.

Ooit was er het noodlot, de straf van de goden, de beproeving van God. Nu is het de samenleving die onmenselijk is, het monster van agressiviteit dat door de wereld raast, de overheid die tekort schiet, de onzekere tijden en nog veel meer.

De leer van de Boeddha zet niet aan tot een vluchten uit of ontkennen van dit menselijk bestaan.  Maar integendeel tot een ‘naar het leven toe gaan’, een in de wereld aanwezig zijn met open oog. Dit betekent niet het opbouwen van ingewikkelde gedachteconstructies, maar juist het stopzetten daarvan.

De eerste stap is het openen van de ogen waarmee de wereld wordt bekeken, zowel de innerlijke als de uiterlijke wereld.  Kijken naar die wereld met aandacht: met een gemoed, met een hart dat ziet zonder te oordelen, zonder goedkeuring, zonder afwijzing.  De innerlijke wereld moet niet verdrongen, onderdrukt of veranderd worden.  Hij moet alleen gezien worden: de angsten en de verlangens zien voor wat ze zijn.  Van daaruit kan het besef ontstaan  dat er gekeken wordt vanuit een gedrevenheid, zelden of nooit vanuit een rustige openheid.

“Er op uit gaan en alle dingen bevestigen met het eigen zelf is misleiding: wanneer alle dingen naar voren komen en we door hen bevestigd worden is dat verlichting" (Dogen: Japans zenmeester, 13e eeuw)

De werkelijkheid zien zoals ze zich op dat ogenblik aan ons voordoet, zonder de kleuring die men er vanuit zijn eigen gemoedstoestand aan geeft.  De dingen waarnemen zoals ze zijn en niet zoals men zou willen dat ze zijn.  Wanneer men ophoudt een eigen werkelijkheid te construeren  komt er ruimte vrij voor het verschijnen van de werkelijkheid zoals ze is.

De onvrede, de misnoegdheid die de mens zo vaak in hun greep houden  geeft misvormde informatie door: de boodschap is emotioneel verkleurd.  Maar het zijn wel die vervormde gegevens die het voelen, denken en handelen sturen. Van daaruit groeien meningen en opinies, en aansluitend een oordeel over de hele wereld, de maatschappij, de andere mensen.

Mensen gebruiken deze methode om de wereld te benaderen vanuit een behoefte aan houvast, aan zekerheden. In de boeddhistische literatuur wordt daarvoor het beeld gehanteerd van ‘de huizenbouwer’:

“Huizenbouwer ik heb u doorzien
Gij zult voor mij geen huizen meer bouwen
Alle spanten zijn gebroken, de nok is ingestort
Het hart heeft beëindiging van de begeerten bereikt”

(Dhammapada)

Vanuit de beveiliging van het huis, goed beschermd door de muren kijkt de mens naar de wereld buiten: hij ziet slechts een deel van wat buiten is. Hij hoort noch voelt noch ruikt wat er zich afspeelt: hij construeert zelf wel zijn werkelijkheid binnen de veilige muren van zijn eigen huis. Maar die zelfgeschapen ‘werkelijkheid’ is een wereld van illusies.

Het naar binnen kijken schept al de eerste en zwaarste illusie: de ik-illusie. Het bewustzijn wordt zelfbewustzijn en stelt: ‘dat ben ik’. De denkfout bestaat erin dat men de waarneming van zichzelf als een absolute waarheid stelt. Er is een groot verschil tussen de vaststelling: dat ben ik en de vaststelling: zo ervaar ik mijzelf!

Hier biedt zich de eerste gelegenheid aan om verdraagzaamheid te tonen: zichzelf zien, niet zoals men verlangt of vreest, maar zoals men zichzelf kan waarnemen.  Zonder goed - of afkeuring.  Zonder oordeel.

De vaststelling ‘dat ben ik’ blijft niet zonder gevolgen: alles daarbuiten  wordt ‘een niet-ik’. Dat betekent dat de werkelijkheid  wordt opgedeeld in twee helften die tegenover elkaar worden geplaatst.  Maar in de filosofie van het boeddhisme  sluiten tegenstellingen elkaar niet uit: ze sluiten elkaar in. Twee soorten werkelijkheid zijn geen twee afzonderlijke elementen: ze vormen samen één en dezelfde werkelijkheid.

Het loslaten van vooroordelen en opvattingen  aangaande zichzelf kan een ware bevrijding met zich mee brengen: geen gesleur meer met al die onbruikbare en hinderlijke opvattingen.  Niet meer gevangen zitten in vast geroeste overtuigingen, ideeën en complexen. Zien hoe men gevangen wordt maar vooral hoe men zichzelf gevangen zet.

Opvattingen en meningen klampt men aan als een houvast: men kent het wel, men weet er alles van.

Bereid zijn om zelfzekerheid los te laten, de moed hebben het nieuwe en het onverwachte dat zich aanbiedt  te laten gebeuren. Aanvaarden zich kwetsbaar op te stellen, méér nog: kwetsbaarheid vaststellen als basis van het menselijk bestaan. Elke mens zien in zijn kwetsbaarheid omdat het een menselijk gegeven is.

Daarin ligt het hart van mededogen, daarin ligt de verantwoording van verdraagzaamheid.

Het boeddhisme is een levensfilosofie  die in haar religieuze dimensie gericht is op het opheffen van de oorzaken van het lijden in het menselijk bestaan.

Het is een religie die op de mens is gericht. Ze neemt een pragmatisch standpunt in: doel is de mens wijzer, milder en opener te maken. Alle levensbeschouwingen die de mens ‘beter’ maken, worden waarachtig en respect waardig geacht.

Door dit uitgangspunt was de houding van het boeddhisme tegenover andere  levensbeschouwingen meestal zeer tolerant. Het leren kijken vanuit de boeddhistische praktijk vraagt om een kritisch onderzoek naar de invloed van begrippen en denkwijzen  op de humaniteit van mensen.  De vraag naar de waarheid  is voor het boeddhisme niet relevant: het enige belangrijke is wat een bepaalde levensfilosofie doet met de mens. Maakt ze hem hardvochtig en enggeestig of integendeel mild en openhartig, met respect voor alle leven?

Vanuit dit standpunt werden vele elementen uit andere culturen in het boeddhisme opgenomen.

De ‘onbevangen waarneming’ die niet gebaseerd is op doctrines of theorieën is de spiritualiteit van het boeddhisme. Deze speelt zich niet af  in een opwaartse beweging, niet op de top van een hoge berg, maar horizontaal onder de mensen.

Wanneer -op individueel vlak- de dualistische visie tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’ kan losgelaten worden, kan de tegenstelling tussen ‘ik’ en ‘de andere mens’ ook vervagen. ‘Ik-mens’ tegenover ‘de andere mens’ kan samenvallen tot ‘de mens’.

We kunnen niet ontkennen dat eigenbelang de uiteindelijke drijfveer van de mens is. Toch gelooft men in het boeddhisme  dat door het loslaten van die dualistische visie op de wereld, de mens in een dichte relatie kan komen met de wereld. Deze visie is ook prachtig beschreven door de joodse mysticus Martin Buber in zijn boek:’Ich und Du’. De relatie van de mens tot de wereld kan er een zijn van betrokkenheid, zoals mensen in liefde op elkaar kunnen betrokken zijn. Het ik-gerichte denken verliest dan zijn egocentrisch karakter, ‘ik’ en ‘niet-ik’ verliezen hun beperkende macht.  Het ik-belang is niet meer tegengesteld aan het algemeen belang: dat is de wijsheid. Alles wat leeft heeft een gemeenschappelijke levensgrond.

De andere mens is niet meer een bedreiging, onzekerheid of onveiligheid. Hij is een ander ik, dat leeft in dezelfde ‘condition humaine’.  De andere is - net als ik –op zoek naar vervulling en bevrediging van zijn wensen, op de vlucht voor zijn angsten, vol verdwazing omdat hij het leven niet wil zien zoals het is.

Wàt hij zoekt en de manier waarop hij zoekt kan vreemd lijken: het feit dàt hij een zoekend wezen is maakt hem tot een gelijke.

Hetgeen ik als mens  nooit kan doen is oordelen of veroordelen. De wijsheid of dwaasheid die ik in de andere zie, is ook mijn eigen wijsheid of verdwazing.

De praktijk van de wijsheid wordt in het boeddhisme ‘mededogen’ genoemd, karuna.

Het mededogen wordt voorgesteld in een antropomorfe figuur met zeven hoofden en duizend armen, Avalokiteśvara: diegene die naar de wereld kijkt om al het lijden van de mensen te zien en met duizend armen het lijden van de mensen op te nemen.

Wijsheid is het inzicht in de menselijke conditie van onvolmaaktheid waardoor de  vervulling van het verlangen onmogelijk is. Het zien dat alle mensen op deze wereld streven naar de vervulling van hun verlangens en van daaruit handelen  ligt aan de basis van mededogen. Van daaruit te denken, te voelen  en te handelen: dat noemen we menselijk mededogen. Zoals alles wat menselijk is, is het beperkt, onvolkomen.

Maar er is  méér: er is ook het Grote Mededogen dat de Boeddha zelf is.  Dit is geen metafysisch begrip noch een vergoddelijking van de persoon van de Boeddha. Het is een symbool, een beeldspraak.  Het Grote Mededogen is altijd en overal aanwezig en neemt elk wezen op ‘om nooit meer losgelaten te worden’. (Shinran Shonin).

Dit beeld behelst  de aanvaarding dat elk mens, hoe ‘goed’ of  ‘slecht’ hij ook moge zijn, het Mededogen waard is, zonder uitzondering. Dit betekent dat er op deze wereld geen enkel wezen is dat onaanvaardbaar zou zijn, dat geen respect zou waard zijn.

Mededogen is een verregaand begrip: er is het mededogen nodig van de mens voor zichzelf op de eerste plaats. Mededogen wordt gevraagd voor het slachtoffer én de misdadiger, voor de knecht én de meester, voor de arme én de rijke.

Mededogen betekent in de vreemdeling de mens te zien op zoek naar een plek om te leven, in de brutale vlegel de mens te zien in zijn onmacht, in de agressie de angstige mens te zien. Dat veronderstelt dat men de moed opbrengt zich kwetsbaar op te stellen.

Mededogen leidt  naar  verdraagzaamheid.  Maar de term ‘verdragen’ kan tot een misverstand leiden. Men moet de andere niet dragen: men kan de andere niet dragen. De andere dragen zou betekenen dat wij zijn  lot in handen nemen, dat we de plaats kennen die de andere toekomt, en dat we menen hem daartoe te moeten brengen. Maar geen mens kan dat doen voor iemand anders, geen mens heeft het recht iets voor de ander te bepalen. Het enige wat men kan doen is ruimte laten voor de ander: letterlijk en figuurlijk.

Ruimte laten voor andere opvattingen kan vrijblijvend en dus redelijk gemakkelijk zijn. Maar ruimte voor andere gedragingen is moeilijker omdat dit bedreigend kan overkomen voor het eigenbelang. Dan ontstaat angst en angst leidt tot agressie. Wanneer men ‘de andere’ een plaats heeft toegekend, wanneer men tegenover de andere zijn verwachtingen en reserves heeft geplaatst, dan bestaat er grote kans dat de andere daar niet aan beantwoordt, en er ergernis en angst ontstaat. Ruimte geven aan de andere betekent hem te laten zijn wat hij is, en dat te aanvaarden, omdat hij een mens is.

Ook de wet van karma, de wetmatigheid van oorzaak en gevolg is van doorslaggevend belang in de omkering tot mededogen en verdraagzaamheid. De gedachten en gevoelens zijn niet zonder gevolgen: wat zich in de geest afspeelt heeft hetzelfde karmische effect als een handeling. 

“Eerst komt het denken
Het is het denken dat de wereld doet ontstaan
De geest stuurt, de wereld is zijn schepping.
Wie spreekt of handelt met verdorven geest
Hem volgt het leed als een wagenwiel de voet van het trekdier.”

(Dhammapada)

Er wordt in boeddhistische context vaak op gewezen dat er geen schepper nodig is om de wereld te scheppen: de mens zelf schept de wereld door zijn woorden en daden. In die zin is ook geen enkele situatie op deze wereld ‘onmenselijk’ te noemen. Er is geen andere wereld dan die van de mensen!

Wantrouwen, intolerantie of minachting zijn gemoedstoestanden die zich in gedragingen zullen uiten. Ze zullen afwijzend of vijandig gedrag  met zich meebrengen.

Ook een groep mensen kan vanuit een verkeerd gericht gemoed een sfeer scheppen waarin elk woord en elke handeling vergiftigd is. Hoe sterk is niet de macht van de ‘publieke opinie’, van de sfeerschepping tegenover dingen en mensen die niet binnen de vertrouwde normen vallen, die zich niet gedragen zoals de anderen?  Hoe gemakkelijk blijkt het te zijn de sfeer van ‘onveiligheid’ op te roepen, het wantrouwen tegenover  sociale gedragingen die niet herkenbaar zijn? De kleinste dingen kunnen zo opgeblazen worden tot een onoverkomelijke oorzaak van ergernis zoals bijvoorbeeld een klein detail wat de kledij betreft.  In een moderne samenleving waar de gekste (én lelijkste) zaken mogelijk zijn op gebied van kleding zal de intolerantie zich gaan toespitsen op een onschuldig hoofddoekje…!

In de keten van oorzaak en gevolg staat aan het begin het denken in ‘ik’ en ‘niet-ik’, van waaruit de waarneming zal gekleurd worden als ‘vertrouwd’ of ‘onbekend’. Datgene wat als niet vertrouwd wordt ervaren  lokt gewaarwording van onzekerheid en angst uit.  De handelingen die daaruit voortkomen  zullen getekend zijn door afwijzing en vijandigheid. De bevestiging van het eigenbelang dat bedreigd wordt door de ‘ander’ zal de keten sluiten. Het  mechanisme kan nu eindeloos doorratelen  en de eigen gedachtegang bevestigen.

Tot de mens met zijn aandacht het mechanisme doorprikt, tot het inzicht in de misleiding de verdwazing verdrijft en de schakel van de dwaasheid loskoppelt: de ketting wordt verbroken en het raderwerk valt stil. Dat is het moment dat men de gedachten en gevoelens kan zien voor wat ze zijn.

De aandacht geldt op de eerste plaats de eigen geest, het eigen hart. Vooraleer we naar de ander kijken is het belangrijk eerst het eigen instrument van waarneming na te zien, en zo nodig het te reinigen of aan te scherpen. Het middel daartoe is de meditatie: een oefening om alle denkactiviteit tot rust te laten komen en enkel nog open te staan voor wat zich aanbiedt.

In de traditie van het boeddhisme ontstond het beeld van de bodhisattva: hij is de belichaming van het inzicht dat er geen tegenstelling is tussen ik en niet-ik, tussen de wereld van lijden en die van bevrijding.  Hij hanteert het ik als een handig middel om wezens tot bevrijding te brengen.  Zijn passies zijn getransformeerd door wijsheid en mededogen: dat is zijn betrokkenheid op de hele wereld. De bodhisattva heeft de ervaring van de pijn in het menselijk leven doorgemaakt: van daaruit is een grenzeloze tederheid ontstaan tegenover zichzelf en tegenover alle wezens. Hij heeft  de moed zijn angsten te ervaren,  zijn alleen-zijn en zijn kwetsbaarheid. Maar onvoorwaardelijke sympathie  heeft een openheid gebracht die voorbij de angst ligt en een verbondenheid die de wonden heelt van het afgescheiden zijn.  Hij heeft geleerd op een open en beamende wijze met zijn eigen pijn om te gaan en zo kan hij nu de anderen tegemoet treden.

De bodhisattva is geen heilige: hij zwaait niet met moraliserende wimpels. Het is zijn mededogen dat grenzeloos is en al het andere doorstroomt.  De bodhisattva onderscheidt zich in zijn gedragingen niet van de gewone mens: men ontmoet hem op de markt, in het café,  zelfs “tussen rovers en prostituees” zoals het in de oude teksten wordt omschreven.

De bodhisattva  is een beeld voor het inzicht dat het er in deze wereld niet op aankomt heilig en onkreukbaar te worden boven het aardse gedoe. Waar het op aankomt is het ontwikkelen van de ‘upeksa’ de deugd van gelijkmoedigheid. Elk wezen dat we ontmoeten, elke gebeurtenis  kan een teken zijn dat verwijst naar wijsheid en mededogen. De weg die afgelegd wordt kan soms een omweg lijken: het is de weg van het lijden op deze wereld. Maar deze is niet verschillend van de weg van de bevrijding:

“De bodhisattva volgt de weg van valse waarheden, maar hij heeft zelf de vervolmaking van de wijsheid verwezenlijkt, en hij blijft betrokken in alle wereldse en buitenwereldse zaken. Hij volgt de weg van de hypocrisie en de opschepperij, maar zelf munt hij uit in nadenken en beschouwen en hij zoekt heilzame hulpmiddelen. Hij kan de weg van de hoogmoed onderrichten, maar hij is voor de hele wereld een brug en een doorgang.(…)Hij volgt de weg van de illusie, de vergissing, maar hij behoudt altijd de helderheid van wijsheid…”

(Vimalakirti nirdesa sutra)

De bodhisattva lijkt een wezen vol tegenstrijdigheden: hij confronteert de mens in zijn zelfgenoegzaamheid van waaruit die de wereld bekijkt en oordeelt. Hij is degene die niet oordeelt: hij gaat de weg van alle mensen, maar alles wat hij doet is gekleurd door zijn mededogen.  Zijn sterkte is dat hij in elke mens ‘de mens’ ziet, niet verschillend van zichzelf. Daarom kan hij tussen de mensen zijn, of ze nu goed of slecht zijn, kan hij hun leven leiden, maar blijft zijn mededogen onaangetast.  Zo kan elke mens bodhisattva zijn voor elke andere mens.

Er wordt wel vaak de vraag geopperd of er niet zoiets bestaat als ‘te grote verdraagzaamheid’…? Moet alles dan aanvaard en verdragen worden?  Zijn er dan geen beperkingen  of grenzen meer?

Waar een samenleving is, daar zijn ethische codes nodig. Het samenleven van mensen moet binnen een zekere orde geleid worden. Ook in de boeddhistische traditie is er een morele code waarin het doden, stelen, bedriegen  en ander wangedrag aan bod komen.

Maar deze morele voorschriften zijn secundair, het zijn slechts hulpmiddelen, ze zijn geen doel op zich. Bovendien zal men ook hier de rol van karma in beschouwing nemen. Elke mens wordt geboren met een bepaald karma: zijn lichamelijke en geestelijke erfenis zouden wij dat noemen. Een mens wordt geboren op een bepaalde plaats, in een bepaalde tijd, wordt getekend door sociale, emotionele en intellectuele gegevenheden. Het gedrag van een persoon zal sterk getekend zijn door dit karma: ook dat is een reden tot mededogen. Het is gemakkelijk niet te stelen wanneer men niets tekort heeft: ‘het woord heeft geen honger ‘ zegt een Afrikaans spreekwoord. Ethiek en moraliteit worden snel luxeproducten wanneer er bijvoorbeeld  een oorlog uitbreekt. Er zijn geen ‘goede’ en ‘slechte’ mensen: elke mens is in bepaalde omstandigheden in staat tot de ergste dingen, zo stelt de leer van de Boeddha.  Moraliteit is een noodzakelijk iets maar heeft weinig of geen verdienste in de boeddhistische traditie.

Waar het op aankomt is op de toestand van de geest, het gemoed, het hart. Daar begint verdraagzaamheid of afwijzing, daar ligt het knooppunt, daar ligt  de kern waaruit onze gevoelens en gedragingen zullen geboren worden.

Misschien is het té moeilijk om alle mensen lief te hebben: maar misschien is het wél mogelijk om in elke mens ‘de mens’ te zien.

Ekō 95

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home