Het Kamakura-Boeddhisme En De Leer Van Het Reine Land -
Grondslagen Van De Vestiging Van Het Boeddhisme In Japan (3)

 Kōyū Sonoda

 Het Ontstaan en de Ontwikkeling van het Heian-Boeddhisme

Tijdens het Heian-tijdperk, dat vierhonderd jaar duurde, ontwikkelde het boeddhisme zich in menig opzicht: het verspreidde zich geografisch en doorheen alle klassen, én verdiepte zich.

In 794 zag keizer Temmu zich genoodzaakt  de hoofdstad naar Heian (Kyōto) te verplaatsen.  Hij streefde er naar om de Ritsuryō-politiek terug in te voeren, maar plande gelijktijdig een hervorming van het stagnerende boeddhisme.  Hij vond in Saichō en Kūkai uiteindelijk twee persoonlijkheden die aan zijn verwachtingen beantwoordden.

Saichō kwam in het jaar 804 in het kielzog van een Japanse zending naar China en werd er op de berg Tiantai door Daosui en Xingman onderricht in de Tendai-doctrine en de ‘Volkomen Gelofte’.  Terug in Japan, stichtte hij er de Tendai-school met als hoofdtempel de Enryaku-ji.  Ook Kūkai reisde in hetzelfde jaar naar China, waar hij in de Qinglong si tempel van Chang’an door Huiguo (j. Keika) ingewijd werd in de orthodoxe Shingon Leer.  Terug in Japan stichtte hij de Shingon-School, waarvan de Kōya-san en de Tō-ji de hoofdzetels zijn.

In de vorige bijdrage werd aangetoond hoe in de periode van het Nara-boeddhisme onverzoenlijke tegenstellingen naast elkaar hadden bestaan, m.n. het geleerdenboeddhisme tegenover het magische boeddhisme.  Met twee praktisch georiënteerde vormen van boeddhisme, de Tendai-School, die de eenheid onderstreepte van de Leer en de Meditatie (j. kyōkan itchi), en de Shingon-School, die de gelijktijdige praktijk van de relatieve en absolute waarheid verkondigde, werden alle mogelijke begrenzingen overschreden...

Deze beide scholen, Tendai en Shingon, vormen wat men noemt het ‘Heian-boeddhisme’. 

Maar waarin verschilde nu dit Heian-boeddhisme van het vroegere Nara-boeddhisme?  In het Nara-tijdperk was het boeddhisme ondergeschikt aan de staat geweest, en had zich niet echt als een religieuze gemeenschap geprofileerd. 

Het Heian-boeddhisme daarentegen heeft zich losgemaakt uit de handen van de overheid, en een eigen identiteit ontwikkeld, door o.a. de oprichting van onafhankelijke opleidingen voor Mahāyāna - monniken (j.daijō kaidan dokuritsu undō) - wat van Saichō op hoge leeftijd veel inspanning vergde.  Saichō verwierp het formalisme van de monnikenregels, maar doordat hij zich bezon over hun inhoud,  maakte hij de weg vrij om de wérkelijke draagwijdte ervan te garanderen.

De Shingon-School van Kūkai bleef niet achter: de Tō-ji werd de uitsluitende woonplaats van Shingon - monniken, en voor de eerste maal ontstond zo een zuiver confessioneel boeddhisme. (j. shūha bukkyō), waarvan het enige principe het ‘doorgeven van de Leer’ was.

Dogmatisch baseren beide scholen zich op de leer van het ‘Ene Voertuig’[5].  Saichō vatte de Tendai-doctrine samen in het begrip ‘Shohō jissō’[6].  In de ‘Sokuji nishin’[7] van Kūkai wordt de Shingon-filosofie geformuleerd.  Beide scholen zijn door en door realiteitsbevestigende filosofieën (j. genjitsu kōtei no tetsugaku). 

Men kan zeggen dat zowel Saichō als Kūkai de eerste kordate stappen ondernomen hebben om een specifiek Japans boeddhisme te ontwikkelen.

Later reisden achtereenvolgens Ennin en Enchin voor de Tendai-school naar China en leerden er de oorspronkelijke esoterische leer kennen, die zij later als element toevoegden aan de Tendai School (sog. taimitsu).  Op het einde van de 10e eeuw vestigde Ryōgen[8] het ‘Gouden Tijdperk’ van de Tendai-school.  Daar het tot meningsverschillen kwam tussen de leerlingen van Ennin en van Enchin, verlieten de aanhangers van Enchin in 993 de Hiei-zan en streken neer in Mii-dera, en vanaf dan worden ze aangeduid als Jimon-ha, d.i. de ‘Tempeldeur’- tak van de Tendai-school.

Voor de Shingon-school stichtte Yakushin op het einde van de 9e eeuw de Ninna-ji, en Shobō de Daigo-ji.  De school kon rekenen op het vertrouwen van de toenmalige keizer, die ook de To-ji liet  restaureren.  Het esoterische Shingon-boeddhisme beleefde zijn hoogtepunt.  Op de Kōya-san werd in het begin van de 11e eeuw het ‘Gebed voor Verwanten’ opnieuw ingevoerd, dat zich ontwikkelde uit de bestaande voorbeden voor de keizer en de hoogste adellijke families. 

Daarnaast ontstond een beweging van ‘Nembutsu - heiligen’.  Kakuban (1095 - 1143) die aan het ontstaan van deze beweging stond, stichtte na zijn intrede in de Negoro-dera een onafhankelijke school, de ‘Shingon-school van de Nieuwe Betekenis’ (j. shingi-shingon).

In beide scholen ontwikkelden zich aldus opsplitsingen en conflicten. Men zocht het gezelschap van de hoge adel en van de ex-keizer en zo ontwikkelde zich meer en meer een boeddhisme van de adel.  Vooral het esoterische boeddhisme bood de heersende families alle middelen om hun wereldse bedoelingen te realiseren.  Talrijke tempels in Nara en op de Hiei-zan onderhielden betrekkingen met belangrijke feodale heren en beschikten over talrijke monniken - soldaten, die het militaire conflict niet schuwden.  Ernstige monniken, die een afkeer hadden van deze verwereldlijking en van dit geflirt met de adel, verlieten het grote klooster, om zich op afgelegen plaatsen terug te trekken.  Deze zgn. ‘hijiri’ (letterlijk: ‘heiligen’) plantten het zaad, waaruit het nieuwe boeddhisme (de zen-, jōdo- en nichiren-scholen enz.) zou ontstaan.

(Bron: Ekō-Blätter - Mitteilungen des Eko-Hauses der Japanischen Kultur - Düsseldorf - Heft 14 - Herbst 2001: ‘Der Kamakura-Buddhismus und die Reine-Land-Lehre.  Grundzüge der Japanischen Buddhismus-Rezeption’  Overgenomen met toestemming en vrij vertaald door M. Strubbe.)

[5] Het boeddhisme spreekt over ‘De Leer van de drie voertuigen’: het voertuig van de toehoorder (‘śravaka’), het voertuig van ‘hij die alleen gaat’ (‘pratyeka buddha’) en het voertuig van de ‘bodhisattva’.   De Leer van het ene voertuig stelt dat de Leer van de drie voertuigen als middel wordt opgevoerd, om aan de verscheidene soorten mensen tegemoet te komen, maar dat in werkelijkheid er maar één Leer is.  Zodoende kunnen alle mensen naar het boeddhaschap streven.

[6] Dit begrip heeft twee betekenissen.  Als substantief betekent het ‘de ware vorm waarin alle dingen bestaan.’  Als these betekent het dat elk existerend fenomeen op zich een verschijning van de ware existentie is.  De Tendai-school fundeert op basis van deze tweede betekenis haar leer van radicale gelijkschakeling van de fenomenen en de realiteit. 

[7] ‘Sokuji- nishin’ : de fenomenale wereld wordt in zijn opgang van ontstaan naar vergaan als een ‘in zichzelf zijnde werkelijkheid’ beschouwd.

[8] Abt van de Hiei-zan (912-985).  Hij liet vernielde en afgebrande gebouwen restaureren en stelde 36 regels op voor de monniken.  Hij schreef ook een commentaar op het Meditatie-sutra.

Ekō 96
Het Kamakura-Boeddhisme En De Leer Van Het Reine Land - Grondslagen Van De Vestiging Van Het Boeddhisme In Japan

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home