Filosofie En Mystiek Van De Jodo-Shinshu (11)

Dit is het elfde deel van een reeks bijdragen gebaseerd op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū’ door Sh. A. Peel worden belicht. [1]

Er werd zoveel mogelijk naar gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven. Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker.

De Patriarchen

Nāgārjuna [India,   2e - 3e eeuw n.C]
Vasubandhu [India,   4e - 5e eeuw (?)]
T’anluan [China, 476 - 542]
Taoch’o [China, 562 - 645]
Shantao [China, 613 - 581]
Genshin [Japan, 942 - 1017]

Hōnen (Genkū) [Japan 1133 - 1212]

Dit is de laatste van de zeven patriarchen van de Jōdo-Shinshū.

Van in zijn vroege jeugd was Hōnen verbonden aan het Tendai-complex op de Hiei-berg, waar hij een schitterende carrière als leraar had.  Op de leeftijd van 42 jaar kwam hij in contact met Shantao en werd een overtuigd Reine Landadept.  Hij verliet de berg en verzamelde veel volgelingen; vooral in aristocratische middens was veel belangstelling voor zijn exclusieve Nembutsu-praktijk. 

De conventionele boeddhistische scholen waren echter minder verheugd over deze evolutie.  De monniken van de Enryakuji, de Tendai-hoofdtempel op Hiei, veroordeelden en verbrandden het werk dat Hōnen hierover schreef (Senchaku-hongan-nembutsu-shū).  Dat deze monniken hierbij niet werden gemotiveerd door doctrinale of theologische bekommernissen, maar dat hun veroordeling alles te maken had met machts- en belangenkwesties, staat buiten kijf.  Toen twee hofdames zich zonder de vereiste keizerlijke toestemming bekeerden tot de Nembutsu-leer en non werden, werd drastisch ingegrepen door de overheid.  Enkele discipelen werden ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.  Hōnen werd verbannen naar Tosa, en ook Shinran Shonin die toen al een volgeling was van Hōnen, werd (naar een nog strenger oord) verbannen.

Hiermede vormde Hōnen het uitgangspunt van een nieuwe stroming in het Japanse boeddhisme tijdens het Kamakura-Shogunaat.  Anders dan Genshin, legde Hōnen de klemtoon op het niet-elitaire van de Reine Landstroming.  Hij sticht de eerste exclusieve Nembutsu-school in Japan: de Jōdo-shū.  Hij benadrukt de authenticiteit en de uniciteit van de Nembutsu-praktijk van de 18e gelofte: deze praktijk is het reciteren van de Naam (myōgō).  Hōnen verwierp elke andere praktijk.  Wel is het zo, dat voor Hōnen de exclusieve nembutsu-praktijk neerkwam op een onafgebroken vocaal reciteren van de Naam, omdat daardoor de aandacht van de volgeling voortdurend gericht en gehandhaafd blijft.  Deze vocalisering zag hij als ‘drager’ van de concentratie (Sk. samādhi).  Toch aanvaardde hij ook de mogelijkheid dat één uiting van de Naam voldoende kon zijn om Geboorte te vestigen.  Vooral op het ogenblik van de lichamelijke dood was deze laatste mogelijkheid belangrijk, omdat in de toenmalige volksreligieuze opvatting Amida dan samen met zijn gevolg van bodhisattva’s en Arhats verschijnt, om de stervende te onthalen en te begeleiden in het Reine Land (J. raigō verwelkoming)

Deze opvatting van raigō zorgde wel voor discussie onder zijn volgelingen, omdat het aspect van popularisering van de Nembutsu-praktijk voor Hōnen blijkbaar belangrijker was dan de theoretische structurering ervan.

Hōnen ziet het ontvangen van de Reine-Landlering als volgt:

Pad der Wijzen >>> uitgeschakeld
Pad van het Reine Land    
  Diverse Praktijken (Taocho’) >>> uitgeschakeld
  Juiste Praktijken (Shantao)    
    Hulppraktijken >>> uitgeschakeld
    Praktijk van de Juiste Vestiging (Hōnen)    

Shinran zou later de Nembutsu duidelijk stellen als een werking afkomstig van de Ander-Kracht (Hongan no Nembutsu), in tegenstelling tot de jiriki no nembutsu, die afkomstig is uit zelfkracht.

Shinran zal ook de term shinjin duidelijker dan Hōnen gaan aflijnen.

Hōnen ziet shinjin als resultante van de Drie Gemoederen uit het Meditatiesutra. [2]   Deze gemoederen moeten opgewekt worden - wat in zekere zin zelfkracht elementen introduceert in het verlichtingsproces.  Shinran zal shinjin veeleer zien als ‘Drievoudig Gemoed’ afkomstig van Amida zelf (zie Groot Sutra).  Deze gemoedstoestanden zijn geen kenmerk van de volgeling, maar wél van de Boeddha zelf; ze resulteren uit Amida’s oneindige verdienste als Groot Mededogen.

Tenslotte zou Shinran ook nog van Hōnen het principe van de identiteit van Amida met alle boeddha’s overnemen.  Een principe van interpenetratie dat afkomstig is uit het Avatamsaka Sutra.  

(Bewerking M. Strubbe)

 

Een waar meester ontmoeten,
dat is een moeilijkheid onder alle moeilijkheden.
Er komt geen eind aan samsara
zolang er twijfel is, de sterkste hindernis.

                                               (Koso-Wasan 109)

[1] Sh. A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū’.  De Simpele Weg - Antwerpen 1996.  Ook beschikbaar in de bibliotheek van het Centrum.

[2] Oprecht waar gemoed, diep gemoed,  en gemoed van verlangen naar geboorte door verdienste-overdracht.

Ekō 97
Filosofie En Mystiek Van De Jodo-Shinshu

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com
 

          home