Het Kamakura-Boeddhisme En De Leer Van Het Reine Land - Grondslagen Van De Vestiging Van Het Boeddhisme In Japan (slot)

Kōyū Sonoda

Het Ontstaan van het ‘Nieuwe Boeddhisme’ en in het bijzonder de Reine Landschool

De hijiri (‘heiligen’), die duidelijk een aparte levenswandel hadden, kan men in drie soorten indelen: 1. de nembutsu- hijiri, die van plaats tot plaats trokken en de  nembutsu-leer verkondigden;  2. de Inton-hijiri, die zich in het gebergte terugtrokken en mediteerden in de stilte van  hermitages; 3. de Jikyō-hijiri, die  voornamelijk het Lotus Sutra reciteerden.  De scholen van het Reine Landboeddhisme zoals Jōdo-Shū, Shin-Shū en Ji-Shū zouden zich ontwikkelen uit de nembutsu-hijiri; de Inton-hijiri gaven aanleiding tot het ontstaan van de Zenscholen- zowel Rinzai als Sōtō- en de Nichiren-school greep terug op de Jikyō-hijiri.

Binnen de bewegingen van het ‘nieuwe boeddhisme’ speelde de Jōdo-school een voortrekkersrol.   De Amida-stroming in Japan ontstond in het  Nara-tijdperk onder Keizerin Kōmyō (701 - 760) en de hoge adel.   Rond deze tijd bracht  Ennin, een Tendai-monnik, een nembutsu - praktijk mee uit China,  die zich rond de Hiei-zan verspreidde, de zgn. ‘bergnembutsu’ of ‘nembutsu der wijzen’ (j. kenja no nembutsu).  Het was Kūya (ook: Kōya, 903 - 972) die deze nembutsu onder het gewone volk verspreidde en het tot dorpnembutsu d.w.z. ‘nembutsu van de eenvoudige lieden’ maakte.  Daarom kan men stellen dat de Reine Landleer vanuit de basis komt, en dat het ethos eigen aan het Japanse volk, geïnspireerd werd door Kūya, en vervlochten is met de nembutsu.   

Kūya’s eerste levenshelft blijft vaag en in het duister.  In zijn twintiger jaren werd hij novice in de provincietempel van Owari bij Nagoya, de huidige prefectuur Aichi.  Hij doortrok het land, en men zegt dat hij ‘anonieme’ skeletten zou verzameld hebben, om ze te bewenen en te verbranden.  Toen deze man in 948 op de Hiei-zan kwam en door de Abt Enshū gewijd werd, was hij zesenveertig jaar oud.  Vanaf dan liet hij zich in de milieus van de ontwikkelde klasse  (j. chi-shiki) van de hoofdstad zien.  In deze maatschappelijk onrustige tijd [1] werden de woelige straten vol dieven en bedelaars,  het toneel van Kūya’s belangrijk onderricht.

Op de rug van een Boeddhabeeld, in de hand een reeënhoornen staf,  blies hij op een schelp of  reciteerde de nembutsu, en sloeg hierbij een handtrommel.  De aalmoezen die hij ontving, gaf hij door aan de bedelaars en de armen.  Hij werd de stads- of Amida - hijiri genoemd, de belichaming van de zwervende heilige. 

‘Vóór de Tengyō-periode hoorde men de roep van de nembutsu niet.  Het was Kūya, die deze voor de eerste maal in de wereld verspreidde’, schreef Yoshishige no Yasutane [2] in zijn Nihon ōjō gokuraku ki, waarin hij zijn grote waardering uitte voor Kūya’s inspanningen om de nembutsu te verspreiden.

Deze uit de basis afkomstige ‘Reine Landbeweging’ werd pas door Genshin (942-1017) voor het eerst gesystematiseerd in zijn werk Ojōyōshū.  Genshin, een leerling van de Abt Ryōgen, was een belangrijk vertegenwoordiger van de Tendai-school.  Toen hij het tot de positie van ‘vice-abt’ (shō-sōzu) bracht, weigerde hij deze positie om zich in Yokawa, een buitenpost van de Hiei-zan terug te trekken.  De Ojōyōshū schreef hij kort voor hij deze stap zette, in de vierde maand van het jaar 985.  Het is een verzameling van korte teksten die voornamelijk het belang benadrukken van de nembutsu voor de Geboorte in het Reine Land.  De onvolkomen wereld van samsara, die ‘tegenover’ dit Reine Land staat, en de verschillende hellen worden er zeer concreet beschreven.  Deze onvolkomen wereld dient men te haten, het Reine Land moet men met volle ijver te zoeken - zo luidde zijn leer, die grote invloed had.

Genshin schreef zijn werk toen hij aan het hoofd stond van een groep van intellectuelen en adellijken, die zich ‘Gezelschap voor de Bevordering van de Studie’ (Kangaku-e) noemde.  Tweejaarlijks kwam men bijeen: de ene keer voor een sociale bijeenkomst waarbij gedichten en voordrachten werden gehouden, de andere keer had de bijeenkomst een religieus karakter, en werd de nembutsu gereciteerd.  De ijver voor de Reine Landleer groeide, en toen Yasutane, de stichter van dit gezelschap, zich terugtrok naar Yokawa om monnik te worden, evolueerde de beweging naar een zuiver religieuze aangelegenheid met de naam ‘Vereniging van de Samādhi van de 25 Trappen’.  De Oyōyōshū zou geschreven zijn als handboek voor deze vereniging.  De volkse Reine Landleer, waarvoor Kūya gezongen en  getrommeld had, werd nu door bemiddeling van het ‘Gezelschap voor de Bevordering van de Studie’ verbonden met de berg - nembutsu van de Tendai-school.

Ondertussen kwamen op de Kōya-san, de berg van de Shingon-school, talrijke nembutsu - hijiri, waardoor de nembutsu in de stijl van Shingon bloeide.  Kakuban systematiseerde in zijn ‘Esoterische Uiteenzetting van de Vijf Chakras en de Negen Lettergrepen’ de lering van de Shingon-nembutsu.  Vanaf het einde van het Heian - tijdperk tot in het Kamakura - tijdperk was de nembutsu praktijk van de Shingon-school meer verspreid bij het gewone volk dan deze van de Tendai-school.

Wat voor de ontwikkeling van de Reine Landleer opviel en als een katalysator heeft gewerkt, was de zogenoemde mappō-theorie.  Deze stelt dat na het parinirvana van Boeddha Śakyamuni een periode van 500 jaar van de ware Leer (j. shōhō) zou volgen.  Na de daaropvolgende periode van 1000 jaar, de periode van de schijnbare Leer (j. zōhō), zou een periode van 10 000 jaar beginnen, de periode van de vervallen Leer (j. mappō).  In deze periode zou de leer grotendeels verloren gaan, evenals de praktijk en de mogelijkheid tot Verlichting.  In China was het Xinxing (j. Shingyō), die tijdens de Sui - dynastie deze theorie van de drie dharma’s en de mappō - gedachte verkondigde [3] .   In Japan werd het jaar 1052 aanzien als het eerste jaar van de mappō - periode.  Deze wijdverbreide theorie had grote invloed op het gemoed van het volk en verbond zich met het typisch Japanse gevoel van vergankelijkheid…

Tot dan toe was de centrale vraag in het boeddhisme geweest welke scholen als ‘hoger’ en welke als ‘eenvoudiger’ konden aangemerkt worden.  Onder druk van de mappō gedachte, werden subjectieve beschouwingen van de beleving van de Leer problematisch.  En uiteindelijk moet men de mappō - theorie niet alleen in maatschappelijke context beschouwen, maar er ook een individueel aspect in zien, als persoonlijk gevoel van tekortkoming.  In zoverre het nieuwe boeddhisme van het Kamakura - tijdperk zich baseert op een tijdskritiek én een zelfkritiek, moet men aan het mappō - denken een betekenisvolle rol toekennen.  

Aldus was het Japanse Reine Landboeddhisme op het einde van het Heian - tijdperk zodanig geëvolueerd, dat het klaar was voor de ‘enkel- nembutsu - praktijk’ van Hōnen…

Slotbeschouwing

In deze aflevering werd vooral de specifieke ontwikkeling van het Reine Landboeddhisme in Japan besproken.  Nochtans maakten andere stromingen zoals het zenboeddhisme en de Traditie van de Jikyō-hijiri ook een ontwikkelingsproces door.  Deze hier uiteenzetten zou ons te ver voeren.  Toch heeft ook in deze tradities het Japanse volksethos een rol gespeeld.  Men kan trouwens het hele Kamakura - boeddhisme beschouwen als ‘gejapaniseerd boeddhisme’.

De Tendai - gemeenschap van het Insei - tijdperk was de voedingsbodem, de smeltkroes waaruit het Nieuwe boeddhisme voortkwam.  Het was in de Tendai dat uit de ‘Leer van de Ware Kenmerken’ (j. jisō) het ‘Denken aan de Voortijdelijke Verlichting’ ontstond (j. hongaku - shisō)  Dit denken stelt de volkomen Verlichting voor als grondnatuur,  ‘aanwezig’ in de wereld van geboorte en dood.  In de Japanse Tendai - school werd dit zeer algemeen geïnterpreteerd als: ‘de bergen, de stromen, het gras en de bomen, verlangen allen naar het Boeddhaschap.’  Men kende de niet-voelende wezens zoals bomen en stenen de mogelijkheid tot Verlichting toe.  De grondleggers van het nieuwe Kamakura boeddhisme moesten een standpunt innemen over deze wat overtrokken werkelijkheidsbevestigende filosofie.

Maar ook deze visie op ‘het boeddhaschap voor gras en bomen’ is  een moment in de ‘japanisering’ van het boeddhisme, waarbij men de  Japanse mythologie moet voor ogen houden.  Daarin wordt verwezen naar ‘gras en bomen, alles kan spreken’… 

Dit ene voorbeeld maakt duidelijk dat de ‘japanisering’ van het boeddhisme te maken had met een bezinning op het eigen religieuze gevoel.

Hieruit kan men opmaken dat men niet alleen de interne ontwikkelingsgeschiedenis van het boeddhisme in Japan moet bestuderen, maar tezelfdertijd de geschiedenis van het Shinto-boeddhistisch syncretisme... Dat is voor een andere gelegenheid...

(Bron: Ekō-Blätter - Mitteilungen des Eko-Hauses der Japanischen Kultur - Düsseldorf - Heft 14 - Herbst 2001: ‘Der Kamakura-Buddhismus und die Reine-Land-Lehre.  Grundzüge der Japanischen Buddhismus-Rezeption’  Overgenomen met toestemming en vrij vertaald door M. Strubbe)

[1] Dat was de tijd van de Tengyō-opstanden, toen in 933-940 Taira no Masakado probeerde een onafhankelijke staat op te richten in Oost-Japan.  En in de periode van 936 tot 941 werd West Japan geteisterd door de piraten van de Fujiwara no Sumitomo.

[2] Essayist en literaat uit het midden Heian-tijdperk (gestorven 1002)

[3] Zie hiervoor ook het Lotus Sutra.

 

Ekō 97
Het Kamakura-Boeddhisme En De Leer Van Het Reine Land - Grondslagen Van De Vestiging Van Het Boeddhisme In Japan

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home