Spiritualiteit

Katharina Haemers

"Spiritualiteit betreft een waanzinnige liefde voor de wereld."
(Nico Tydeman) [1]

‘Als een vis zwemt, zwemt hij steeds voort en er komt geen eind aan het water.  Als een vogel vliegt, vliegt hij steeds door en er komt geen eind aan de lucht.  Er is nooit een vis geweest die buiten het water zwom, of een vogel die uit de hemel vloog.  Als ze alleen maar een klein beetje water of lucht nodig hebben, gebruiken ze een beetje.  Als ze veel nodig hebben gebruiken ze veel.  Daardoor gebruiken ze het allemaal op ieder moment en overal bezitten zij een volmaakte vrijheid.

Maar als er een vogel zou zijn die wel eens de afmetingen van de hemel zou willen weten, of een vis die eerst de uitgestrektheid van het water zou willen onderzoeken om dan te proberen om te vliegen of te zwemmen dan zou hij nooit zijn weg vinden.

Als we op dit moment ontdekken waar we zijn volgt de oefening vanzelf, en dat is het onderkennen van de waarheid.  Want de plaats, de weg is groot  noch klein, niet het zelf en niet iets anders. 

Het heeft nooit eerder bestaan en het begint ook niet nu te bestaan.

Het is gewoon zoals het is.

(Dōgen, zenmeester 13e eeuw)

Komt het vreemd over deze tekst als spiritualiteit te presenteren?

Of moet spiritualiteit te maken hebben met iets dat ‘boven het alledaagse’ verheven is, iets voor de zwevenden?  Dat er met hoogdravende en liefst bijna onbegrijpelijke termen moet gesproken worden, om een onzichtbare transcendente waarheid over een niet te peilen diepte van een grenzeloos absoluut wezen uit te drukken?

Alle grote frasen ten spijt is er slechts één werkelijkheid waarin we allemaal te leven hebben: die van geboorte en dood. Toegegeven dat dit nogal ontnuchterend klinkt.  Laat ons daarom goed rondkijken in deze ene wereld van vogels in de lucht en vissen in het water: misschien kunnen we nog iets van hen leren?

Is er vanuit dat standpunt een houding mogelijk die ons doorheen dit bestaan helpt en die we spiritueel kunnen noemen?  Een levensvisie én een praktijk die op dit leven gericht zijn, hier en nu, en die vervuld zijn van spiritualiteit?

Spiritualiteit is een vage term die een verwijzing naar iets vluchtig, iets onvatbaar in zich draagt.  Toch is er wel een inhoud aan deze term verbonden.  Met welke woorden moet die echter uitgedrukt worden?

‘Ademen alsof je niets anders te doen hebt’ (Herrigel): zou dat een afdoend antwoord kunnen zijn? ‘Een visje bakken zoals je een koninkrijk bestuurt (Chuang tzu)

Er is in spiritualiteit altijd dat zwevende losse element waardoor haar antwoord altijd verschilt van elke andere verklaring binnen het menselijk bestaan.  De zingeving van het bestaan is nooit eenvoudig noch eenduidig, nooit klaar en helder voor eens en altijd.

Het gemoed kan in de ervaring van de alledaagsheid gerààkt worden door te zien hoe ongrijpbaar het leven zelf is.  Het is niet alleen onze geest die de wereld construeert; ook het omgekeerde grijpt plaats: de wereld raakt en boetseert ook ons gemoed.  Spiritualiteit betekent de openheid om geraakt te worden.

Spiritualiteit laat het ‘niet-weten’ binnensluipen; ze erkent machteloosheid en beweeglijkheid en onstandvastigheid.  Ze geeft toe dat er tussen geboorte en dood ontelbare vormen van mysterie zijn en dat men bereid is daarmee rekening te houden, er evenveel aandacht aan te besteden als aan broodwinning en voedsel en kledij.

Maar eigenlijk gaat het om méér: het gaat om het zien van het mysterie in al deze dagelijkse dingen als kopen en verkopen, studeren en sporten en kinderen opvoeden.  Niet alleen het mysterie zien: zich er ook aan overgeven.  Wanneer we de wereld ‘binnentreden’ beschikken we over allerlei gereedschap om hem tot de onze te maken: assertiviteit, functionaliteit, productiviteit, creativiteit... Zich overgeven aan het mysterie van de wereld, betekent ophouden de wereld te lijf te gaan met onze werktuigen.  Zoals men een geliefd persoon benadert: zonder berekening, zonder rationele planning. Bereid zijn te wachten op datgene wat zich vanzelf zal laten zien.

Dat is vreeswekkend: het onvoorzienbare toelaten.  Openstaan voor het onvoorspelbare.

Een religieuze traditie geeft in haar leer en praktijk een houvast.  Ook al biedt de leer van de Boeddha op zich niet een houvast, toch zijn ook daar elementen aanwezig die een gevoel van vertrouwen moeten wekken om een bepaalde weg te gaan.  Spiritualiteit durft van deze weg afgaan, gaat het gevoel van eenzaamheid binnen en treedt vanuit het alleen-zijn de dingen tegemoet.  Zich openstellen zonder voorbedachte rade brengt echter niet alleen onzekerheid teweeg: er kan ook een ongekende geestdrift losbarsten doordat men een nieuwe kijk krijgt op de dingen, een nieuwe verhouding durft aangaan met gebeurtenissen.

Spiritualiteit toelaten betekent een ondersteboven-gebeurtenis:  het is een omkering zoals het in vele tradities wordt genoemd.

Anjin, de vrede van het hart, is datgene wat een mens kan bereiken via oefening en meditatie.  Het is een ‘fel begeerde’ toestand: voorwerp van streven en berekening.

De ‘omkering’ daarentegen is geen resultaat van ingespannen oefening, nooit het eindpunt van een evolutie.  Het gaat er niet zozeer om het mysterie in alles te zien, maar juist andersom alles te zien in het licht van het mysterie!  ‘De wereld leren zien op een wereldvreemde wijze’ noemt Nico Tydeman dat, een wijze die niet vanzelfsprekend  is.  Er een beetje bij lopen als een reiziger die nooit thuisgekomen is, die de aarde even leent om te zwerven, niet om te blijven.

Een ‘geestelijk pad’: men loopt er langs, het is onbekend gebied, men raakt niets aan, geen takje  gebroken, geen waterpoel gerimpeld, geen insect vertrappeld.  Geen spoor nagelaten...

Geen spoor nalaten: gebeurtenissen, mensen en dingen niet binden.

Mensen zijn altijd op zoek naar vrijheid: maar hoé verwerft men zoiets?  Men kan enkel vrijheid géven!  Zichzelf verbinden zonder te binden.  Vrijblijvend?  Niet in de zin van afstandelijk of niet geëngageerd.  Handelen als er iets moet gedaan worden, spreken als er woorden nodig zijn, emotie als er gevoelens aan te pas komen.  En dan gewoon verder gaan.

Elk herinneren van een gebeurtenis haakt de gevoelens weer vast aan het gebeuren, ook al kan er aan het verleden niets veranderd worden. Het is zo moeilijk de herinnering los te laten omdat men dan iets ‘van zichzelf’ zou verliezen.  Herinneringen zijn bouwstenen voor de huizenbouwer.

Maar gebeurtenissen kunnen bevrijd worden uit onze herinnering door ze te laten zijn wat ze zijn, vrij van onze emotionele geladenheid van spijt, ontgoocheling of angst.  Herinneren kan gebeuren zonder zich opnieuw vast te binden aan het gebeurde.  Dat kan dan zijn ware kleur vertonen, zijn oorspronkelijke klank, die vermoedelijk verschilt van wat het toebedeeld kreeg.  En dan worden ook wij op onze beurt bevrijd.

Zichzelf bevrijden uit de sleur van de dagelijksheid door het oog te verfrissen.

Spiritualiteit ligt in de dagelijksheid: is het daarom dat we zoveel moeite doen om ze elders te zoeken?

Het ontsnappen aan de dagelijksheid ligt niet in het doen van uitzonderlijke dingen: die worden heel snel even dagelijks.  De sleur ligt niet in dingen maar in de ogen, de handen, de gedachten. Aandacht bevrijdt ons van de ondraaglijkheid van het banale.  Zie de verwondering van het kind: het doorprikt onze eeuwenoude visies door de spontane blik.

‘Verlichting voltrekt zich tussen mensen’.  Het wordt steeds herhaald in ontelbare verhaaltjes van Zenmeesters.  Niet in dikke boeken (verbrand ze!) niet in diepzinnigheid (die wordt geridiculiseerd) niet in parate kennis (hoe onbruikbaar op cruciale momenten).

Verlichting is een manier om zich te gedragen: een gedrag dat bevrijdend is  voor alle aanwezigen!

Maar bevrijd(end) zijn betekent niét gered-zijn.  We worden niet gered.  We kunnen onszelf ontkoppelen, losmaken uit een werkelijkheid omdat ze niet dé werkelijkheid is.

Elke werkelijkheid is een geïnterpreteerde werkelijkheid, stelt de hedendaagse filosofie.

Daarom is dé werkelijkheid altijd groter en ruimer dan onze interpretatie: ze is veel meer dan we kunnen bedenken!

Het ‘ganz Andere’ ervan ligt niet achter of boven of onder, maar in ons oog, in onze geest.  De werkelijkheid van elke lente is veel meer dan haar vanzelfsprekendheid: het blijft een oneindig herhaald mysterie voor het oog dat kijkt.

We eten brood, we drinken wijn, we klagen over de regen we schuilen voor de wind en strooien zout op de witte sneeuw...

Het is niet zomaar gegeven dat te kunnen zien: daar is training van het oog voor nodig.  Maar zelfs dat  is geen aanloop tot het zien: het is enkel een verscherpen en verfijnen van het instrument.

Het zien grijpt onaangekondigd plaats: men kan er zich niet op voorbereiden.  Dat is het paradoxale aan spiritualiteit: aandacht te hebben voor elk doodgewoon gebeuren.  Bereid zijn elk ogenblik kwetsbaar te zijn tegenover gebeurtenissen en mensen.  Deuren en ramen open laten en wind en regen vrij spel laten.

Spiritualiteit vraagt grote moed: het betekent het toegeven van het niet-weten, het toegeven van veranderlijkheid, van twijfel; de onvolkomenheid aanvaarden  als een vorm van kwetsbaarheid.  Maar is onvolkomenheid niet een grondwoord van de leer?

Is śūnyatā als levenshouding  - niet als theoretisch begrip- iets anders dan ontvankelijkheid zonder vooropgestelde voorwaarde.

Śūnyatā als het opheffen van elke dualiteit vertrekt vanuit de grens ik-niet-ik: er is geen afgebakend veilig gebied waarbinnen bepaalde wetten absoluut geldend zijn.

Śūnyatā is de vaststelling dat ondanks alle kennis, het weten en bewust-zijn de werkelijkheid ons toch ontglipt.  Geleerdheid  draagt de kenmerken van onwetendheid: kennis is nooit een antwoord op een vraag.

Spiritualiteit verlangt hartstochtelijk naar helderheid en waarachtigheid met de bereidheid te blijven haperen in onrust en onzekerheid.  Spiritualiteit vraagt buiten de oevers te treden van het veilig egocentrisme en de ik-wereld verlaten, die toch enigszins vertrouwd is.  Durven we ons op onbekend terrein begeven van het niet-weten?  Kunnen we dit niet-weten aanvaarden, het assumeren en ermee leven tot het een tweede natuur is geworden?  Bereid zijn altijd alles opnieuw te bevragen  en nooit een sluitend antwoord definitief inkaderen.  Aanvaarden dat er lijden op deze wereld is waarvoor geen antwoord  is: het zoeken als blijvende toestand, duisternis verdragen tot ze vanzelf licht wordt.

Altijd opnieuw naar de wereld kijken, met volle aandacht, in volle kwetsbaarheid omdat men ‘het’ nooit weet.

De leer van de Boeddha gaat niet over kennen en begrijpen, maar over aandacht schenken met uiterste zorgzaamheid; op onze hoede zijn voor redelijkheid, overwegingen die het denken construeert, ons beschermen  en veilig stellen voor wat het leven ons kan aandoen.

De tijd nemen elk woord en elk gebaar met aandacht te omkleden en voorzichtigheid leggen in de gehele houding omdat ik weet dat alles wat ik zeg of doe gekleurd is door mijn onwetendheid.

Spiritualiteit spreekt en handelt zonder bekommernis om wat er te winnen of te verliezen is.  Niet streven om een ideaal mens te zijn: wel om een waarachtig mens te zijn.

‘Ik heb er velen zien komen en gaan en ik heb weinig overwinnaars gezien’ besluit de Boeddha: de Meester in de mens is niet de held noch de overwinnaar.

Het betekent blij te zijn in vreugde en droef te zijn in verdriet.

‘Er is vrijheid die gebondenheid kent
Er is vreugde die de pijn kan omvatten
Er is hoop die wanhoop niet uitsluit’,

aldus Nico Tydeman…

[1] N. Tydeman, ‘Dansen in het Duister’, Uitgeverij Asoka.

Ekō 97

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home