Filosofie En Mystiek Van De Jōdo-Shinshū (12)

Dit is het twaalfde deel van een reeks bijdragen gebaseerd op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū’ door Sh. A. Peel worden belicht. [1]

Er werd zoveel mogelijk naar gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven. Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker.(MS)

Shinran Shonin

Shinran Shonin heeft de opvattingen van de diverse patriarchen niet kritiekloos overgenomen, maar ze afgewogen ten opzichte van de hem bekende bronnen, zijn ervaring als monnik in de Tendai-traditie en als balling in het noorden van Japan.

Zijn religieuze visie bevat een aantal belangrijke leidmotieven:

1. Een streven naar opheffing van elke vorm van dualiteit, die Shinran wél kan aanvaarden als ‘relatieve waarheid’, maar geenszins als ‘Ware Werkelijkheid’ (shinnyo-shinjitsu)

 a. Zo stelt hij dat er geen twee ekō’s zijn (ōsō-ekō en gensō-ekō), maar wel twee aspecten van het éne ekō, nl. het aspect van ‘heen-gaan’ en het aspect van ‘terug-komen.’ Evenmin stelt hij shinjin tegenover nembutsu, noch tanen (het vele uitspreken) tegenover ichinen (het éénmaal uitspreken) etc…

b. Hij ziet geen dichotomie tussen shin[jin] en ōjō (geboorte in het Reine Land) Shinjin is voor hem een (samsarisch) aspect van geboorte: shinjin is de ‘vestiging van Geboorte nog in dit bestaan’

c. Er is geen dualiteit, geen onderscheid tussen nirvana en samsara. Hierin volgt hij Nagarjuna. Nirvana is de ‘andere presentie’ in samsara: het ene sluit het andere niet uit, maar is er een andere context van. Zo is voor hem samsara niet enkel de kringloop van geboorte en dood, maar ook de plaats van de terugkeer van Ander-Kracht om alle wezens uit het lijden te verlossen.

Deze interpretaties zijn gefundeerd op Nagarjuna, maar ook op o.a. het Avatamsaka- en Nirvana Sutra.

2. Een zeer consequente visie op tariki: geheel de heilswerkzaamheid is uitsluitend werkzaamheid van de Ander-Kracht van de Voortijdelijke Gelofte. Sommige van zijn latere volgelingen zullen stellen dat ‘ook de schijnbare jiriki in feite niets anders is dan een verhulde tariki’.

3. Een demythologisering van de Reine Landsutra’s. Hij hanteert eerder een metaforiserende optiek, die beslist niet vreemd is aan het Mahayana-denken. Het zo door Hōnen gewaardeerde raigō-motief verwerpt hij.

Om Shinrans gedachtengang beter te situeren, is het noodzakelijk de verhouding gyō (praktijk)en shinjin ([gemoed van] vertrouwen) uit te diepen aan de hand van hoofdzakelijk de hoofdstukken ii (de Ware Praktijk) en iii (het Ware Vertrouwen) van de Kyōgyōshinshō, waarbij Shoshinge een belangrijke scharnierovergang weergeeft.

Het begrip shin is in feite zo vanzelfsprekend dat het zelfs niet voorkomt in de volledige titel van het hierboven vermelde werk: shinjin loopt als een rode draad doorheen het gehele werk.

De term ‘praktijk’ krijgt reeds vroeg kritiek: kan men het ‘uitspreken van de Naam’ als ‘praktijk’ beschouwen, als de heilswerkzaamheid uitsluitend bij Amida Buddha berust en er de noodzakelijke natuurlijkheid van uitmaakt? Vele commentatoren discussiëren hierover. Toch stelt Shinran dat dit ‘uitspreken van de Naam’ wel degelijk een ‘praktijk’ is, maar in geen geval een ‘heilspraktijk’, nodig om nirvana te verwezenlijken - geen praktijk in de zin van ‘shodomon’ (moeilijke pad). Gyō betekent in de eerste plaats Amida’s Grote Praktijk (dai-gyō), nl. het Grote Mededogen.

‘De Nembutsu is voor de beoefenaar niet-praktijk en niet-goed’. (Tannishō viii)

Overigens staan gyō en shin[jin] niet los van elkaar, maar zijn eerder parallelle begrippen. Gyō en shin grijpen ineen: beide zijn immers, in hun samengaan, oorzaak (enkelvoud!) van de Geboorte; ze zijn, van in den beginne, één - of juister -: niet-twee. Hōnens interpretatie van praktijk, als ‘reciteren van de Nembutsu’ beschouwt Shinran van een lagere orde…

- Shinjin en nembutsu zijn de vervulling (enkelvoud!) van de Voortijdelijke Gelofte.

- Gezien vanuit het menselijke standpunt zijn shinjin en nembutsu de manifestaties (meervoud!) van de Voortijdelijke gelofte.

Shinran omschrijft de Grote Praktijk ook als ‘het uitspreken van de Naam van Tathagata Ongehinderd Licht’, maar hij bepaalt hierbij niet wie de Naam uitspreekt. Diverse interpretaties zijn dan ook mogelijk:

- enkel de Boeddha’s vermeld in de 17e gelofte spreken de naam uit;

- het uitspreken van de naam is een praktijk met de bedoeling bij die Boeddha’s te behoren;

- er is geen essentieel verschil tussen die Boeddha’s en diegenen die de Naam uitspreken;

- mogelijk is ook dat die interpretaties alle tegelijk geldig zijn.

Shinran zelf vond het niet relevant genoeg hierop dieper in te gaan. Diverse aspecten dienen hierbij onder ogen te worden gezien: vanuit het boeddhistische niet-zelf denken, is er niemand die de Naam uitspreekt.

Sommige passages van de Kyōgyōshinshō zijn vol vaktermen- het werk was in de eerste plaats bedoeld voor tijdgenoten - ‘specialisten’- waardoor dit werk zo goed als onleesbaar is voor wie niet vertrouwd is met het vakjargon. Diverse termen zijn ook moeilijk te definiëren of komen voor in divergente definities, waardoor een axiomatische keuze zich opdringt. Tenslotte moet er in de vertaling dikwijls beroep gedaan worden op termen uit de westerse filosofie of christelijke achtergrond - zonder adequaat semantisch uitdrukking te geven aan de inhoud van de Sanskriet of Chinese filosofische termen…

[1] Sh. A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū’. De Simpele Weg - Antwerpen 1996. Ook beschikbaar in de bibliotheek van het Centrum.

Ekō 98

Filosofie En Mystiek Van De Jōdo-Shinshū

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home