De Praktijk Van De Jōdo-Shinshū

Katharina Haemers

‘Wij aanvaarden dat wanneer een dwaas wezen dat zelfs niet één letterteken kent en met héél beperkte mogelijkheden - zoals wij - zichzelf geheel toevertrouwt aan Amida, het ook bevrijd wordt door Amida.’

Tannishō, XII.

‘Als zelfs de goede mens gered wordt, hoezeer dan ook de slechte’.

Tannishō, III.

1. Inleiding

Wanneer men in enkele trefwoorden de praktijken uit de verschillende grote stromingen in het boeddhisme zou pogen te vatten zou men de Theravada (Hinayana) associëren met sila, moraliteit, het naleven van de voorschriften. In het Mahayana - boeddhisme treedt een grote omkering op: elk mens draagt in zich de bodhicitta, het gemoed ter verlichting, de mogelijkheid tot bevrijding: deze zichtbaar en werkzaam te maken wordt dé praktijk. Het Zen - boeddhisme presenteert een praktijk waardoor men die bodhicitta kan onthullen: de meditatiepraktijk die de geest zuivert van alle gehechtheden. Het Tibetaans boeddhisme biedt aan de volgeling een groot scala van rituele praktijken aan als rechtstreekse ervaringspraktijken.

Ook de Jōdo-Shinshū, de ware School van het Reine Land zal de nadruk leggen op de bodhicitta in elk mens. En deze school gaat daarin zeer ver: uitgaande van de geloften van de bodhisattva en het besef van de karmische onmacht van de gewone mens stelt deze school dat de volgeling vanuit zichzelf weinig of niets kan doen om verlichting te verwezenlijken. Er rest enkel het vertrouwen in de overgave aan Amida, aan de Ander-Kracht, aan de Voortijdelijke Gelofte.

2. Historische Evolutie

Een reeks van zeven patriarchen wordt aangeduid die de evolutie van de leer én de bijbehorende praktijken hebben teweeggebracht. (…)

Belangrijk is wel te zien dat Shinran zich wel baseert op deze patriarchen, waarmee hij ondermeer aangeeft dat hij in de lijn van de traditie wenst te blijven. Anderzijds gaat hij - op gebied van de praktijk - een heel eigenzinnige en zelfs ‘extreme’ weg gaan.

En dàt heeft alles te maken met de ervaringen in zijn persoonlijk leven.

3. Het Leven van Shinran

Er wordt in het boeddhisme steeds de nadruk gelegd op het feit dat de eigen ervaring een onmisbaar element is in de beleving van de leer. De biografie van Shinran biedt een mooi voorbeeld voor deze stelling. Opvallend aan deze man is dat hij een weg is gegaan die bijzonder moeilijk en veeleisend was, en die na twintig jaar kloosterleven wanhopig de verzuchting uitte dat hij geen stap dichter bij de verlichting kwam. Ondanks alle studie in een van de beste kloosters (Tendai), ondanks alle praktijken van een traditie die het uiterste eiste van de volgeling (cfr. Nico Tydeman die de kwalijke kantjes van die praktijken beeldend beschrijft in zijn boek ‘Vormen van Oneindige Leegte’) kon Shinran enkel tot de bevinding komen dat hij een bombu was, een wezen vol onbeteugelde driften.

Shinran was naar het klooster gebracht op zeer jonge leeftijd en maakte er de hardste training door. Maar de verlichting bleek verder af dan ooit: Gutoku, dwaze kaalkop noemt hij zichzelf. Bij het uittreden uit het klooster legt hij het celibaat af: had de bodhisattva Avalokiteśvara hem niet in een droom gezegd dat hij - indien nodig - in de gedaante van een mooie vrouw zou voorkomen om Shinran verder de weg te wijzen naar het heil?

Shinran wordt verbannen naar de onherbergzaamste streken van het noorden van Japan. Daar komt hij terecht in de marge van de samenleving: soldatengarnizoenen, arme boeren en vissers, verstoken van elke vorm van maatschappelijke voorzieningen.

Ze worden ‘issendai’ genoemd, de uitgestotenen niet alleen uit de samenleving van de gegoede burgers; zelfs de mogelijkheid tot verlichting wordt hen ontzegd door de boeddhistische monniken..(!)

Shinran voelt in deze afwijzing de tegenspraak met het idee van het Oneindige Mededogen van de Boeddha. Vanuit welke verantwoording zou men deze mensen - die verstoken zijn van elke vorm van onderwijs of vorming - kunnen verantwoordelijk stellen voor hun toestand. En zelfs indien ze onderricht zouden genoten hebben, dan was hun karmische situatie zeker niet gunstig om de weg naar verlichting te gaan. Als het Boeddhaschap oneindig is, dan zal het toch zeker geen uitsluiting kennen voor deze misbedeelden.

Vanuit deze ervaringen kan men begrijpen dat Shinran een grote, om niet te zeggen absolute waarde zal toekennen aan ‘karma’: elke mens kan maar denken en handelen vanuit zijn eigen karma, dat hij niet ‘verdiend’ heeft (noch positief, noch negatief)

Vermoedelijk heeft Shinran aansluitend zich ook de onmogelijkheid gerealiseerd om deze mensen enig theoretisch onderricht te geven (de leer is niet zo gemakkelijk!), of om deze mensen, die al in de moeilijkste levensomstandigheden vochten om te overleven, ook nog enige praktijken te laten beoefenen.

Toch moet voor deze mensen ook de mogelijkheid tot verlichting bestaan. Shinran ontplooit een leer die gebaseerd is op de concrete aanwezigheid en werkzaamheid van het Oneindig Mededogen, op de geloftekracht die verwoord wordt in de geloften van de bodhisattva Dharmakara (Daikyō, Grote Sutra) Geen enkel wezen wordt uitgesloten uit de ’gelofte bij uitstek’: de Voortijdelijke Gelofte.

De praktijk is het uitspreken van de Naam in de werkzaamheid van deze ‘geloftekracht’, Ander-Kracht genoemd, en vraagt aan de volgeling enkel vertrouwen, overgave. Er wordt dan ook van het ‘horen van de Naam’ gesproken om de minimale inbreng van de persoon te benadrukken.

Voor Zenmeester Ton Lathouwers is dit één van de hoogtepunten van de boeddhistische heilsleer: de verlossing van alle wezens, hoe ‘goed’ of ‘slecht’ ze ook zijn in de ogen van anderen. In het Grote Mededogen van de Boeddha is er geen plek van ‘verdoemden’: iedereen wordt gered. Hoe zou een mens een heilsleer kunnen accepteren die een andere mens daarvan zou uitsluiten. (Ton Lathouwers: ‘Méér dan een mens kan doen.’ Asoka)

Wat Shinran in zijn bescheidenheid ook toegeeft is dat hij niet staat te springen van vreugde om het Reine Land binnen te gaan (Tannishō IX): wij, dwaze wezens zijn zo verblind - zo gehecht aan ons bestaan- dat we dit huis van lijden niet graag verlaten om het Land van Vrede binnen te gaan. Daarom is er de Gelofte van Ander-Kracht.

4. De Praktijk

Het boek Tannishō - geen werk van Shinran zélf, maar van zijn leerling Yuien bo - draagt als ondertiteling ‘Het betreuren van afwijkingen’. Zoals vaak gebeurt had ook de leer van Shinran aanleiding gegeven tot vreemde stellingen (zie verder)

Het boekje is een poging van één van de volgelingen van Shinran om de woorden van de Meester zelf te herinneren aangaande de praktijk. In die zin is het een uitstekend werkje om na te gaan welke praktijk er precies in de Jōdo-Shinshū wordt aanbevolen, en waarop deze praktijk dan is gebaseerd.

a. De theoretische basistekst is de Daikyō, het Grote Sutra, met de 48 Geloften van de bodhisattva Dharmākara (Amida). De gelofte bij uitstek is voor Shinran de 18e Gelofte die hij de Voortijdelijke Gelofte noemt: daarin leest hij de bevrijding van alle wezens.

b. Shinran ontwerpt aldus een ‘Gemakkelijk Pad’, naast het ‘Pad der Wijzen’. Dit laatste is een moeilijk pad dat gebaseerd is op de inspanning en de wil van de volgeling om meditatie en moraliteit te beoefenen.

Omwille van ‘Mappō’ (het verworden van de leer) slagen mensen er niet meer in dit ten uitvoer te brengen. Mensen zijn door hun karma beperkt en kunnen zich er niet uit bevrijden.

Op het gemakkelijke pad van het Reine Land kan men de eigen inspanningen weglaten: men moét zelfs de eigen berekeningen loslaten en zich ten volle overgeven aan het Oneindige Boeddhaschap zelf.

In feite gaat de praktijk dus terug op een basiselement van de leer van de Boeddha: het loslaten van alle begeerten en berekeningen, zelfs diegene die op verlichting zijn gericht.

Maar in deze context wordt dit in een krachtig beeld weergegeven: men is omvat door het Grote Mededogen van Amida Boeddha, omvat om nooit meer losgelaten te worden.

c. Zelfkracht en Ander-Kracht

Dit zijn twee sleutelbegrippen eigen aan het Shin-boeddhisme.

Eigenkracht (jiriki) verwijst naar de persoon die pogingen doet om via allerlei praktijken verlichting te verwezenlijken. Hij gaat het Pad der Wijzen, het moeilijke pad. De meeste boeddhistische scholen volgen deze weg: Theravada beoefent de sila, Zen beoefent meditatie, Tibetanen voeren ingewikkelde rituelen uit…

Op de weg van de Eigenkracht vertrekt men vanuit een verlangen het doel te bereiken, en bestaat er een zekere berekening op welke wijze dat het best gerealiseerd wordt.

Ander-Kracht (tariki) verwijst naar de werkzaamheid van Amida Boeddha: wijsheid en mededogen. In dit geval gaat de volgeling het gemakkelijke pad. (in de mate dat overgave een gemakkelijke houding kan zijn).

Doctrinair is het enkel de Jōdo-Shinshū die deze houding aanneemt; maar de andere Mahayana - scholen - en zeker de Zen - beklemtonen eveneens ook dat men praktijken moet doen zonder de berekening van het resultaat.

Hoe moeilijk deze houding van overgave wel is vertelt de vrouw van Shinran, Eshinni in een van de brieven die ze aan haar dochter schrijft, na Shinrans dood. Shinran was zwaar ziek geworden, hij brandde van de koorts maar liet zich niet verzorgen ondanks onmenselijke hoofdpijnen.

‘ Op het einde van de vierde dag zegt hij in zijn ellende ‘Het moet waarlijk zo zijn.’. En ik vroeg hem ‘ Wat is er? Zegt ge soms iets in uw delirium?

Hij antwoordde:’Nee, het is geen delirium. Twee dagen nadat ik te bed lag, ben ik het Groot Sutra onafgebroken beginnen lezen. Zelfs wanneer ik de ogen sloot kon ik elk teken van het sutra duidelijk zien. Hoe vreemd, dacht ik. Denkende dat er niets in mijn geest zou zijn behalve het ware vertrouwen, geboren uit vreugde omwille van de nembutsu, dacht ik zorgvuldig na over de zaak. Dan herinnerde ik me een incident dat 17 of 18 jaar eerder plaatshad, toen ik wel duizend maal de drie Reine Landsutra’s las voor het welzijn van alle levende wezens. Plots besefte ik welke zware vergissing ik beging, want terwijl ik diep voelde dat het antwoord op de Gelofte van de Boeddha was zelf te geloven in zijn leer en het dan aan anderen te onderrichten, (…) begon ik zelf het sutra te reciteren als het ware om het reciteren van de nembutsu aan te vullen, terwijl de nembutsu voldoende was. Ik stopte dus het lezen van het sutra. Een gelijkaardig gedacht moet in mijn geest zijn blijven hangen.

Eens dat mensen zo beginnen te denken, is het moeilijk te veranderen. Ik besefte hoe moeilijk het is de zelfkracht los te laten en beloofde er steeds voor alert te blijven: toen voelde ik geen behoefte meer het sutra te lezen. En zo, op het einde van de vierde dag heb ik gezegd: ‘het moet waarlijk zo zijn’.

Weldra nadat hij dit had gezegd begon hij rustiger te ademen en werd beter.’

(Y. Ohtani. ‘The Life of Eshinni’. Vijfde brief.)

d. Niet-praktijk

De overtuiging dat een mens uit zichzelf geen verlichting kan verwezenlijken heeft er wel toe geleid dat men in de Jōdo-Shinshū spreekt over de praktijk die geen praktijk is: een paradox die uiteraard soms verkeerd geïnterpreteerd werd…

Shinran is daar zelf enigszins voor aansprakelijk: in Tannishō IV en V spreekt hij over het mededogen volgens het Pad der Wijzen, en dat van het Reine Land. Hij wijst erop hoe moeilijk het is het heil van andere mensen te proberen verwezenlijken. Medevoelen is geen mededogen, stelt Shinran, ‘in geen enkele zin’ voegt hij er aan toe. Dat laatste verduidelijkt hij in het volgende hoofdstuk: men moet alle opvattingen over het eigen ik en het ik van alle andere wezens laten varen: dan wordt men een Boeddha en kan men ongehinderd alle andere wezens bevrijden. Praktijk met het doel verdiensten te verzamelen, al is het voor een ander, is geen heilzame praktijk.

Wanneer een persoon het passioneel en beperkend ik-denken kan loslaten, komt er een grotere kracht en energie vrij die leidt tot verlichting. Het ‘ik’ werkt niet meer selectief: alle wezens worden bevrijd, alle lijden wordt opgeheven, elke vorm van geboorte wordt ontbonden.

Betekent dit dan dat men géén praktijk doet in de Jōdo-shinshū?

Dit wordt soms wel eens gesteld waardoor de idee ontstaan is dat Amida de mens zal redden… Jawel: indien Amida beschouwd wordt als de belichaming van wijsheid en mededogen, maar niet Amida als een Redder of Verlosser (parallel aan Jezus in het Christendom)

Duidelijker is het wanneer men stelt dat men géén formele praktijken doet: dit wil zeggen geen speciale praktijken, los van het dagelijks handelen: men gaat geen uur op een kussen zitten, men doet geen ascetische praktijken, men voert geen rituelen uit enzovoort.

Het is wél de bedoeling dat men deze ‘praktijken’ in het dagelijks spreken en handelen integreert: dat men op een meditatieve wijze zijn werk vervult, dat men het juiste woordgebruik indachtig is wanneer men praat, dat men niet neemt wat niet gegeven is, dat men zijn ego probeert los te laten tijdens een oplopende discussie en zo meer.

Het feit dat men zijn onmacht beseft aangaande het zélf verwezenlijken van verlichting, betekent niet dat men zich zomaar laat gaan…

Toch bestond daar in Shinrans tijd reeds een misverstand over: omdat ook slechte mensen verlicht worden door Ander-Kracht meenden sommigen dat men het ‘slechte’ moet doen om gered te worden door Ander-Kracht. Waarop Shinran vinnig repliceert: ‘het is toch niet omdat er tegengif bestaat dat ge gif inneemt?’

e. De nembutsu

‘De nembutsu is, voor de beoefenaar, niet-praktijk en niet-goed.

Vermits hij niet vanuit enige eigen berekening beoefend wordt, wordt hij niet-praktijk genoemd.

Vermits hij geen goede daad is verricht vanuit eigen berekening, wordt hij niet-goed genoemd.

(Tannishō, VIII)

Shinrans leraar Hōnen stelde dat het reciteren van de naam (nembutsu) de enige praktijk was om zich op Ander-Kracht in te stellen. Maar zelfs dat noemt Shinran nog een Eigenkracht - praktijk met berekening. Er zal daarom eerder gesproken worden van het ‘horen van de Naam’: dit kan enkel plaatshebben indien iemand zich helemaal instelt op Ander-Kracht. Shinran legt de link tussen de nembutsu en de Voortijdelijke Gelofte: het uitspreken van de Naam betekent aldus de daad van overgave, het zich invoegen in de omvattende Kracht van de Gelofte.

Voor Shinran is de nembutsu de opheffing van alle dualiteit. Het is géén aanroeping noch een mantra, maar enkel de verklanking van de naam van het Oneindige Boeddhaschap.

‘Namu’ staat voor het ik, de menselijke wereld, zelfkracht, onwetendheid, het betrekkelijke.

‘Amida butsu’ staat voor: Boeddha, de Andere, Ander-Kracht, wijsheid en mededogen, nirvana.

Wanneer de nembutsu ‘verwerkelijkt’ wordt in het gemoed van de volgeling, dan wordt alle dualiteit opgeheven. Ik en Boeddha zijn niet-tweeheid, verdwazing en verlichting zijn niet-tweeheid, zelfkracht en Ander-Kracht zijn niet-tweeheid.

(A.Peel. Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū.)

De naam is gemakkelijk te onthouden én uit te spreken, stelt Shinran, dus ook voor ongeletterde mensen is dit een gemakkelijke praktijk. (Tannishō, XI)

De nembutsu uitspreken met de gedachte het kwaad uit te roeien verwijst naar zelfkracht. De nembutsu uitspreken met de gedachte dat we niets kunnen op eigenkracht is een daad van overgave en dankbaarheid.‘(Tannishō, XIV)

f. Shinjin

Er moet een ‘omkering’ plaats hebben in het gemoed van de volgeling: deze omkering brengt de toestand van shinjin teweeg: het gemoed van vertrouwen. Deze omkering is uiteraard een moeilijk gebeuren: men zou het een mystiek gebeuren kunnen noemen. Men kan het niet zelf bewerkstelligen (eens te meer), het moet ‘vanzelf’ plaatsgrijpen, maar dat wil niet zeggen dat men gewoon passief kan afwachten… Shinjin is een toestand van overgave (die in meerdere religies wordt beschreven) waarbij de persoon zijn eigen streven loslaat en zich openstelt voor ‘het andere’, een gebeuren, een kracht die men niet meer kan manipuleren of gebruiken. Shinjin is het resultaat van, een toestand van een totaal loslaten, totaal niet-grijpen, niet - gehecht -zijn.

‘In shinjin houdt de nembutsu op een zelfpraktijk te zijn’: dat is de omkering.

De nembutsu is dan niets meer dan de verklanking van de naam; voor de mens is het een uitdrukking van overgave.

In de tekst van Daniëlle Girardin lezen we nog een en ander aangaande vertrouwen:

‘In het Shinboeddhisme wordt gezegd dat vertrouwen niet dat is waarmee we beginnen: het oprijzen van vertrouwen is eigenlijk de vestiging van de Geboorte zelf als Ander-Kracht.

(…)Vertrouwen is geen blind optimisme (…), is geen pleister op een open wonde (…)is niet hetzelfde als aanvaarding (…), geen wanhoopsdaad (…) geen militante wilsdaad (…) geen mysterie…

Vertrouwen is ook niet echt een ervaring, het is eerder een matrix waarbinnen ervaringen zich afspelen.’

Hier komt het aloude thema van de leer van de Boeddha terug: het gaat in die leer immers nooit om concrete regels en voorschriften, maar om de aanduiding van een levenshouding, een gedragspatroon waarbinnen men wil waarnemen, denken, voelen en handelen.

En dit hoort er ook bij:

‘ En wat als het vertrouwen niet oprijst, of beter, als ik het niet ervaar? Wat als iemand zegt “dat de Verlichting vanaf het begin reeds vervuld is, dat we omvat zijn in Ander-Kracht, en dat dit geldt voor alle wezens, hoe ze ook zijn”, ik wil dit alles nog aannemen, ik voel dat er wel iets in zit, maar ik ervaar het niet echt. Het enige wat we dan hebben is het niet - ervaren ervan, en dat is dan hetgene waarvan we moeten vertrekken.’

Dat is de uiterste consequentie en misschien het moeilijkst te verdragen: als we geen vertrouwen kunnen voélen, er ook geen kunstmatig te scheppen, te aanvaarden wetend dat het er is, ook al ervaar ik het op dit moment niet.

‘Want het vertrouwen laat zich niet toe-eigenen, het is nooit van mij, niet omdat het van iemand anders is, maar omdat het niemand toebehoort.’

(D.Girardin. Het Volstrekte Vertrouwen. De Simpele Weg)

g. Karma. Goed en kwaad

Er werd reeds verwezen naar het feit dat Shinran een bijzondere betekenis gaf aan ‘karma’, hetgeen eveneens de begrippen goed en kwaad in een apart daglicht stelt.

Heilzame gedachten ontstaan als gevolg van goede daden; het kwade wordt zichtbaar in gedachten en daden onder invloed van onheilzaam karma.

Shinran neemt hierin een extreme houding aan.

‘Weet dat nooit enige slechte daad geschiedt - zelfs niet één zo klein als een stofdeeltje op de punt van een konijnenhaar of van een schapenvacht - waarvan de oorzaak niet te zoeken is bij vroeger karma.’ (Tannishō, XIII)

Shinran stelt onomwonden dat het vermogen van de vrije wil om goed of kwaad te doen onbestaande is.: ‘…ge zijt niet in staat één enkel mens kwaad te doen, omdat ge de karmische aandrang daartoe niet hebt, die het u mogelijk zou maken te doen wat ik u gevraagd heb.’ (Tannishō, XIII)

Zelfs indien men zou weten dat een bepaalde handeling de ‘Geboorte in het Reine Land’ zou tot gevolg hebben, toch zou men niet in staat zijn de handeling te doen als er geen karmische aandrang was. De reden - of althans één ervan - waarom Shinran dit zo expliciet uitdrukte ligt misschien in de volgende zin: ’Maar geloof niet dat het uit goedheid is dat ge weigert te doden!’ (Tannishō XIII) Shinran wou benadrukken dat geen mens uit eigen verdienste iets doet of laat, en dat hij dan ook met deze verdiensten niet moet te koop lopen.

Ook dit verwijst naar een historische toestand: mensen die moeilijke praktijken konden uitvoeren (zoals bijvoorbeeld in het klooster) gingen daar prat op. Er was een soort prestatiedrang en competitiesfeer ontstaan zoals in de hedendaagse sportwereld. Bovendien werden er ook getuigschriften uitgereikt! (zie Tydeman)

Hiertegen is het dat Shinran tekeer gaat: de ‘hakarai’, de berekeningen en de hoogmoed die beiden voortvloeien uit het presteren van praktijken.

De begrippen van ‘goed’ en ‘kwaad’ zijn in boeddhistische context ook algemeen geen normen, maar Shinran gaat ze nog meer ontkrachten: ‘wij denken dat een goed hart werkelijk goed is en een slecht hart werkelijk slecht’: zo is het niet. ‘Iemand kan honderd mensen ombrengen ofschoon hij niet verlangt wie dan ook kwaad te doen.’

Shinran leefde ook in een tijd waar hij had kunnen zien wat oorlogen kunnen doen met mensen (cfr. de oorlog in Joegoslavië e.a.): onder invloed van karmische omstandigheden kan een mens een ‘ander wezen’ worden, of beter gezegd: kunnen totaal andere eigenschappen van dezelfde persoon naar boven gehaald worden. Dat is de onschatbare invloed van karma op het menselijk gedrag: daarom moet er geen verdienste - noch schuldberekening zijn.

Shinran komt er steeds op terug: verlichting verwezenlijken is geen eigen verdienste, anders wordt het begrip van Oneindig Mededogen onmogelijk en waardeloos. Mededogen is geen genade die toegekend wordt. Mededogen is er altijd aanwezig, ongehinderd.

Dat maakt menselijk leven mogelijk. Dat maakt verlichting mogelijk.

Wanneer dit begrip van Mededogen consequent wordt doorgetrokken moet het er ook zijn voor hen die wél praktijken uitvoeren uit berekening, die er niet in slagen hun verlangen naar bevrijding los te laten: zij maken van de nembutsu toch een eigen praktijk, waarin het vertrouwen afwezig blijft. Maar ook zij hebben deel aan het Grote Mededogen. Inderdaad, ook voor hen heeft Shinran dit bedacht: het beeld dat hij gebruikt is ‘het Grensland, het Land van Inertie, de Burcht van Twijfel, het Baarmoederpaleis.’

Van daaruit wordt hij door de geloftekracht geboren in het Land van vervulling. Niemand wordt uitgesloten van het Mededogen. Vreemd genoeg zijn het mensen die elkaar graag willen uitsluiten!

h. Studie als praktijk

Shinran heeft na zijn jarenlange kloosterervaring, niet veel goede woorden over voor de ‘geleerden’. Reeds in het tweede hoofdstuk van Tannishō stelt hij ‘Had gij u soms voorgesteld dat ik zo beslagen ben in de diverse dharma - schrifturen? Moest het dàt zijn wat ge zoekt, ga dan naar de zuidelijke hoofdstad Nara…daar wonen talrijke eerbiedwaardige geleerden…’

Het Pad der Wijzen, de (geleerde) monniken, is voor Shinran het moeilijke pad. Niet alleen omwille van de praktijken, maar door de ‘geleerdheid’, die men uiteraard niet alleen moet verwerven maar vooral moet kunnen loslaten!

Shinran gaat aan de studie haar plaats geven:

- aan het uitspreken van de nembutsu moet men geen studie toevoegen

- wanneer iemand in verwarring is moet hij zich aan de studie zetten om tot inzicht te komen

- het doel van studie is altijd te komen tot inzicht, zoniet is ze nutteloos: studie centraal geplaatst is zich begeven op het Pad der Wijzen.

-Studie omwille van roem, om persoonlijk voordeel of om te kunnen argumenteren in discussies (en gelijk te halen) is zeker onheilzaam. (Tannishō XII)

Slotbeschouwing.

Wanneer we de formulering van de boeddhistische praktijken, het Achtvoudige Pad, beschouwen met de ogen en de geest van Shinran Shonin kunnen we het volgende zien:

- studie kan heilzaam en nodig zijn in voorbereiding op inzicht, niet als doel op zich of middel tot verlichting

- zich instellen op de leer van de Boeddha betekent hier heel expliciet de daad van overgave, die het begin is van elke andere handeling

- moraliteit is een hulpmiddel om een sfeer te creëren van waar uit men tot inzicht komt hoe sterk de werking van karma is; verdienste noch schuld zijn hier aan te wijzen.

- in gevoelens, woorden en handelingen kunnen alleen maar pogingen zijn het Grote Mededogen in menselijke vorm te weerspiegelen; elke vorm van menselijk handelen kan gedragen worden door Mededogen, wanneer de mens zich daarop instelt, zich daaraan overgeeft.

- Meditatie is een toestand van waaruit men leeft, spreekt, denkt, voelt en handelt. Een meditatief gemoed weerspiegelt niet zozeer rust (anjin) maar een ingesteld zijn op Wijsheid en Mededogen (shinjin).

- Deze toestand van meditatie leidt tot concentratie: aandacht voor àlles wat gebeurt, elke mens die zich aandient.

De praktijk die men beoefent is de nembutsu: niet het uitspreken van de Naam, maar het horen van de Naam. Hierin ligt de hele houding besloten van de Jōdo - Shinshū - praktijk: de overgave aan het Grote Mededogen dat aanwezig is in deze wereld.

Ekō 98

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home