Filosofie En Mystiek Van De Jōdo-Shinshū (13)

Dit is het dertiende deel van een reeks bijdragen gebaseerd op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū’ door Sh. A. Peel worden belicht. [1]

Er werd zoveel mogelijk gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven. Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker.(MS)

De Juiste Praktijk naar Shinran

Er werd vroeger reeds gewezen op de moeilijkheid om bepaalde termen te vertalen. Zonder hier verder op in te gaan, kunnen we stellen dat Shinran bij de vertaling van de 17e gelofte dacht dat hij de vertaling van ‘mijn Naam prijzen en loven’, kon aanvullen op filologisch verantwoorde wijze met ‘uitspreken’. ‘Normaal’ wordt deze gelofte zo verwoord: ‘Indien ik een Boeddha word en de ontelbare Boeddha’s van alle werelden in de tien richtingen zouden niet alle mijn Naam prijzen en loven, moge ik dan de Volkomen Verlichting niet verwezenlijken.’

Door deze eigen interpretatie van de tekst, kan Shinran twee gevolgtrekkingen maken:

  1. het ‘prijzen’ geschiedt door alle Boeddha’s;
  2. het ‘uitspreken’ van de Nembutsu geschiedt door alle wezens,

zodat in deze zin sprake kan zijn van gyō en wel als de Juiste Praktijk gegrond op de 17e gelofte.

‘De Grote Praktijk is het uiten van de Naam van de Tathagata Hinderloos Licht. Deze praktijk belichaamt al wat heilzaam is en omvat alle wortels van verdiensten; zo worden alle wezens vlug tot vervulling gebracht. Ze is de schatten-oceaan van de werkzaamheid van de Ware Zoheid, de Ene Werkelijkheid. Daarom wordt dit de Grote Praktijk genoemd. Welnu, deze Praktijk ontspringt in de Gelofte van Groot Mededogen. [Shinran voegt hier in een randnota toe: ‘dit is de 17e gelofte’]

‘Deze Gelofte wordt [daarom ook] genoemd de Gelofte dat de Naam door alle Boeddha’s verheerlijkt wordt, de Gelofte dat de Naam door alle Boeddha’s verkondigd wordt en de Gelofte dat de Naam door alle Boeddha’s geprezen wordt. Ook de Gelofte van het Gaan - aspect van de Verdienste-Overdracht en de Gelofte van de Uitverkoren Praktijk van het uiten van de Naam. (KGSS ii,1)

Maar wie spreekt de Naam nu uit? Indien dit enkel voor de Boeddha’s geldt, dan is uiteraard de Nembutsu geen praktijk voor de wezens. Shinran zegt dat Grote Praktijk op drie verschillende niveaus kan begrepen worden:

1) De letterlijke betekenis van de 17e Gelofte: alle Boeddha’s prijzen en loven Amida…

2) de Boeddha’s geven het voorbeeld van de Nembutsu - praktijk, die door de wezens in jiriki wordt uitgevoerd (Hōnen!)

3) Amida’s Naam (myōgō) zelf is de Ware Praktijk van het Grote Mededogen. Voor Shinran is dit dan ook ‘Grote Praktijk’ in haar universele betekenis.

In bovenstaand citaat uit de KGSS slaan de eerste drie (door ons onderlijnde) benamingen voor de 17e Gelofte terug op alle Boeddha’s; het zijn verwoordingen van de Gelofte. De laatste twee slaan op de wezens; het zijn benamingen afgeleid uit de verwoording van de ‘Vervulling van de Gelofte’. Deze laatste benamingen drukken de Gelofte uit van het naar het Reine Land gaan van de wezens dankzij de werkzaamheid van Amida. De nadruk ligt hier dus op ‘de wezens’ via het uitspreken van de Naam. Als men rekening houdt met de onderliggende opvatting van niet-tweeheid, dan kan men stellen dat niveaus 2) en 3) niet kunnen gescheiden worden, evenmin als in zekere zin, niveaus 1) en 3). De individuele Nembutsu’s kunnen niet afgescheiden worden van de universele Myōgō.

Men kan twee interpretaties onderscheiden in de commentaren hierop:

1) de praktijk is enkel voor de wezens: het actieve uitspreken van de Nembutsu, ook al weet de volgeling dat het geen eigenlijke praktijk is

2) de praktijk is uitsluitend Amida’s Naam, voor de wezens dus een passieve praktijk van ‘horen’. De volgeling herhaalt alleen wat hij ‘hoort’. Enkel Amida is de verrichter van de heilspraktijk.

Aangezien Amida’s Naam de vervulling is van de Voortijdelijke Gelofte die plaats heeft in de temps sacré van het Eeuwige Nu, is hij niet enkel de werkzaamheid zelf van het Grote Mededogen, maar tevens het doel ervan, zodat bovenstaande interpretaties samenvallen.

Het uitspreken van de Naam door de volgeling is de reflectie van het ‘horen’ van de Naam ‘uitgesproken’ door Amida. En bijgevolg is het uitspreken van de Naam geen zelfkracht - praktijk.

Bij de vestiging van shinjin is de ‘Geboorte’ van de volgeling gevestigd, en vanaf dan behoort hij tot het ‘stadium van de Niet-Terugkeerders’.

Deze kreet, Amida’s roep, kan niet meer ongedaan gemaakt worden, want deze ontspringt uit Dharmakāya, het Boeddhaschap zelf.

Als Shinjin nog niet gevestigd is, heeft de Nembutsu echter ook geen soteriologische waarde als praktijk. Het is hier dan veeleer een ‘oriënteren’ van het gemoed op het Gemoed van Amida. Recitatie is een uiting van dankbaarheid voor het besef van Amida, en van nederigheid in het erkennen én aanvaarden van het eigen onvermogen.

Het reciteren van de Nembutsu is dus geen heilsefficiënte praktijk, waardoor men kan zeggen dat de Nembutsu een ‘niet-praktijk’ is.

Deze ‘niet-praktijk’ is gemakkelijk, want gebaseerd op Amida’s Gelofte; groot, want gebaseerd op Amida’s werkzaamheid, en enkelvoudig, want de enige oorzaak van ‘Geboorte’.

Shinran ziet dus de koppeling van Nembutsu en Myōgō, van ‘uitspreken’ en ‘horen’.

Het ‘vertrouwen’ (shin) is geen element dat zich bij de praktijk gevoegd heeft of dat er een voorwaarde voor vormt. Het belangrijkste is niet het uitspreken van de Naam met de bedoeling geboren te worden in het Reine Land, maar het intieme besef van de Voortijdelijke Gelofte en Amida’s Mededogen (de Ander-Kracht), waardoor Shinjin wordt opgewekt.

Men moet er zich voor hoeden een conceptuele afscheiding te maken tussen Nembutsu, Myōgō en Shinjin! In de Nembutsu kunnen we de Naam in onszelf niet afscheiden: de Naam is immers het Mededogen dat hier en nu werkzaam is in ons, en Shinjin is in ons gemoed dé plaats voor de verwerkelijking van Amida’s Mededogen-Gemoed…

Het is ook duidelijk dat Shinran, in de lijn van T’anluan, de praktijk opvat als werkzaamheid van Amida naar de volgeling toe.

Begeerte en/of Verlangen naar Geboorte?

De overheersende visie van de traditionele Theravada - school is dat ‘het ophouden van begeerte de overwinning is op al het lijden’…Dit zou evenwel een foute interpretatie zijn: Buddhaghosa [2] legt als bron van het lijden niet zozeer de nadruk op tanhā (dorst, begeerte) maar op upādāna (gehechtheid). In de causaliteitsketen (pratītya samutpada) blijkt duidelijk dat dorst ontstaat uit onwetendheid, en de gehechtheid conditioneert. In het Mahayana wordt ‘dorst’ doorgaans als neutraal voorgesteld, maar ‘gekleurd’ tot ‘heilzaam’ of ‘onheilzaam’, en, zoals de causaliteitsketen aangeeft, door onwetendheid, die ego - gerichtheid is. Eens bevrijd van die ego - gerichtheid kan ‘dorst’ zijn originele ethische neutraliteit terugvinden, en zelfs ‘heilzaam’ (‘kusala’) gekleurd worden, dwz. gericht op alle wezens, op het boeddhaschap…

‘Begeerte’, die zich beweegt binnen het ervaringsbereik van samsara (het onverlicht bestaan dat wortelt in onwetendheid) kan omgezet worden in chanda (beslistheid, wil, wens) en evolueren tot ‘mededogen’ (karunā), doordat onwetendheid omgezet wordt in ‘wijsheid’ (prajñā).

Zo is ook het verlangen naar Verlichting aanvankelijk ego - gekleurd. Gaandeweg wordt dit ‘ego-verlangen’ getransformeerd naar ‘wens’ en voor de bodhisattva naar ‘gelofte’ met het oog op bevrijding van alle wezens, doordat men opgenomen wordt in het gravitatieveld van het boeddhaschap.

Omdat Shinran meende dat de mens van deze verworden tijden onherroepelijk opgescheept blijft met zijn bonnō, is hij niet meer in staat deze transformatie te bewerkstelligen, en kan hij zijn begeren niet omzetten in mededogen. Zelfs de begeerte naar het Reine Land blijft ego - bevlekt. Shinran stelde dan dat dit begeren opgevangen wordt door Amida: net zoals Amida het onheilzame karma (aku gō) opvangt en transformeert tot Grote Alliefde/Groot Mededogen, zo ook zet Amida ‘ego - begeren’ om in Ander-Kracht.

In Tannishō, iv, wordt het onderscheid gemaakt tussen ‘menselijk’ mededogen, dat op medelijden is gebaseerd en dus betrekkelijk, en het Grote Mededogen dat natuurlijkheid is: de Ander-Kracht, onmeetbaar en onbegrensd.

De Nembutsu bij Shinran

De opheffing van al deze dualiteiten ligt volgens Shinran opgesloten in de Naam. Derhalve is Namu Amida Butsu geen aanroeping, geen mantra, zelfs geen gebedsformule, maar enkel en uitsluitend de verklanking als ‘naam’ van het Oneindige Boeddhaschap. De Naam verwijst (als ‘betekenaar’) naar ‘dharmakāya-dharmatā’. De Naam als myōgō is daarbij de dynamiek van het Mededogen als ‘dharmakāya-upāya’. ‘Amida Boeddha’ wordt hierbij gezien als een ‘theomorfe’ manifestatie, het ideële beeld van de menselijke verzuchting naar Verlichting, als Samboghakāya.

Aldus komt Shinran tot volgende verklaringen van de Naam:

namu amida butsu
Ik, de adept het Andere, de Boeddha
menselijke realiteit menselijk ideaal
zelfkracht Ander-Kracht
onwetendheid wijsheid-mededogen
het ‘kwaad’ het ‘goede’
het fenomenale het ‘noumenale’
het betrekkelijke het ‘absolute’
samsara nirvana
nirmānakāya (verschijningslichaam) samboghakāya (verheerlijkingslichaam)

Bij verwerkelijking van de Naam in het gemoed van de volgeling (dat daardoor gelijk wordt aan het Gemoed van de Boeddha), worden alle dualiteiten opgeheven tot de ‘hogere orde’ van ‘Dharmakāya’. In Namu Amida Butsu ligt zo de niet-tweeheid van ‘ik’ en de Boeddha, van zelfkracht en Ander-Kracht, van verdwazing en Verlichting. En geheel in de lijn van Nagarjuna, overheen het discursieve, conceptuele, intellectuele ‘kennen’ (Sk. jñāna), de uiteindelijke ervaring van de niet-tweeheid van lijdenswereld en Reine Land.

[1] Sh. A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū’. De Simpele Weg - Antwerpen 1996. Ook beschikbaar in de bibliotheek van het Centrum.

[2] Buddhaghosa is dé grote commentator in de Theravada – traditie (ms).

Ekō 99

Filosofie En Mystiek Van De Jōdo-Shinshū

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home