Wat Is Het Boeddhisme? (10)

Myōkai R. Franck

In deze reeks worden enkele essentiële punten van de Leer gebracht, die aan de basis liggen van alle scholen en stromingen. Ook louter shinboeddhistische leerpunten worden behandeld. Hiervoor werd selectief geput uit ‘272 Vragen en Antwoorden over het Boeddhisme, ten behoeve van de shinboeddhist’, een onuitgegeven werk van M.R. Franck.

Verdere kenmerken, fenomenen en aspecten

 

Wat zijn ‘fenomenen’?

De fenomenale wereld is reflectie van de maan in het water.

(Mūlajāta-hridaya-bhūmi-dhyāna-sūtra)

Alle verschijnselen, concepten, al het waargenomene, ons hele kenvermogen, inclusief dat van de Leer, en zo voort.

Boeddhisten interpreteren fenomenen (de ‘bouwstenen’ van de werkelijkheid zoals we die ervaren) als iets waar we via onze zintuigen eigenschappen aan toekennen, als louter objecten, ervaren door een subject.

 

Wat zijn voorbeelden van fenomenen?

Subjectief: al wat behoort tot (de waarnemingen van) ons ‘zelf’;

objectief: alle samenstellingen (ook ons ‘zelf’ is een samenstelling), al hetgeen door de wetenschap - al dan niet met instrumenten - wordt waargenomen [4] .

 

Zijn fenomenen dan niet reëel?

Fenomenen zijn niet zo reëel als we zelf zouden willen geloven. Zij bezitten geen (eigen) bestaan op zichzelf. Zij zijn slechts het resultaat van een reeks oorzaken en gevolgen en interrelaties (met andere fenomenen), niets waar we een ultieme, onveranderlijke werkelijkheid kunnen aan toeschrijven.

 

Wat zijn fenomenen dan in hun ware aard?

‘Leeg’, zonder substantie, essentie, zelfnatuur of eigen bestaan, maar de leegheid heeft een kenmerk van verschijningsvorm (cf. het fenomeen van de regenboog, een luchtspiegeling.)

Beide kenmerken zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden.

 

Hoe ervaren we fenomenen?

We zien dezelfde fysieke omgeving op een zelfde manier, doordat we een bepaald karma en dezelfde relatieve kijk op het bestaande gemeen hebben.

Maar elk van ons heeft ook een individuele ervaring die we níet met anderen gemeen hebben als gevolg van neigingen die we zelf ontwikkeld hebben. Wat we ervaren is uiteindelijk een illusie die sterk op een droom lijkt… zoals ook ons ‘zelf’ een illusie is.

 

Wat is ‘leegheid’?

De eigenschap van alles wat relatief, niet-bestendig, niet op zichzelf bestaat, de afwezigheid van onafhankelijk bestaan.

Leegheid (of ‘leegte’) betekent evenwel niet dat er niets ‘is’ maar drukt de natuur van wat ‘is’ uit, met dien verstande dat niets op zichzelf bestaat en alles onderling afhankelijk is.

 

Wat zijn dualismes?

Het subject/object - denken, dichotomie, discrimineren dat ontstaat uit het ego - denken: ‘ik’ en het ‘andere’.

Alles wat dualistisch is heeft de geaardheid van lijden.

 

Wat zijn voorbeelden van dualismes?

Eeuwig klagen over het weer.

De zenmeester zei:

‘Het weer is altijd goed of slecht.

Het is geen van beide: het weer is weer.’

Alle tweepolige tegengestelden (de zgn. dubbeltermen) zoals ‘goed en kwaad’ [5] , ‘geluk en ongeluk’ [6] , enz.

Het begrip goed en slecht / goed en kwaad is een relatief begrip binnen de cyclus van het samsarische bestaan. [7]

Verheugd zijn ter wille van nirvāna en misnoegd ter wille van samsāra
is dualiteit scheppen.
Maar ophouden met naar nirvāna te streven
en de afkeer van samsāra overwinnen:
dat is niet-dualiteit (advaita).

Het is slechts wanneer men gebonden is
dat men over Bevrijding spreekt.
Als men niet gebonden is,
wordt spreken over Bevrijding overbodig.

 

Wat is het verband tussen dualismes en de Leer?

De hele leer heeft precies te bedoeling ons los te maken, te bevrijden van alle dichotomische denkvormen en gemoedstoestanden. [8]

Zolang we conceptuele tegenstellingen blijven zien en in onze gedachtegang blijven hanteren bestaat het risico dat we (hoe langer hoe meer) verstrikt blijven in discriminerende denkvormen en tegenstellingen.

“Zolang we blijven staren naar 'dingen' - zelfs naar afbeeldingen van Amida of Śākyamuni - overeenkomstig de subject/objectdualiteit die we zorgvuldig opgezet hebben, net zolang blijven we verstrikt in onze intellectuele begoochelingswereld.” (Shitoku)

 

Wat is ‘waarheid’ (satyā)?

Geen enkele waarheid is vanzelfsprekend of kan begrepen worden,

Tenzij ze ook ervaren wordt.

De weg is steeds wijzer dan de wegwijzer;

de vinger die naar de maan wijst, is de maan niet.

De Absolute Waarheid is

dat er in deze wereld niets absoluut waar is.

De waarheid is een illusie (māyā),

Maar de illusie van onze voorstellingen is een waarheid.

De term ‘waarheid’ heeft de tweevoudige epistemologische betekenis van 'principe' (als universele waarheid) en als fundamentele wet of doctrine, een onderliggend principe dat aan de bestaansvormen, de samsarische werkelijkheid, hun kenmerken geeft.

In het mahāyāna wordt gesteld dat waarheid slechts kan bestaan in de context van de Absolute Ware Werkelijkheid met de implicatie dat alles wat we kennen, waarnemen en onder woorden kunnen brengen, uiteindelijk relatief (onwaar) is. Alleen het Absolute is zelfstandig, op zichzelf bestaand. Alle relatieve dingen daarentegen hebben geen eigen bestaan (werkelijkheid); zij zijn afspiegelingen en bestaan slechts - of kunnen alleen begrepen - worden in samenhang met andere dingen. [9]

 

Wat is ‘werkelijkheid’?

‘Iedereen houdt de grenzen van zijn eigen gezichtsveld

 voor de grenzen van de wereld.’ (Schopenhauer)

De relatieve werkelijkheden zijn de manieren waarop de Absolute (Ware Werkelijkheid) zich in ons dagelijks leven aan ons voordoet. Wat we in onze werkelijkheid als ‘werkelijkheid’ ervaren, zoals bvb. een tafel, bestaat in feite uit een bundeling van energieën, krachten. Zij komen op uit de Absolute Werkelijkheid en vallen daar uiteindelijk ook in terug.

In het mahāyāna zijn alle elementen (dharma’s) onderling afhankelijk (relatief) en bijgevolg niet-werkelijk, leeg (śūnya).

Alleen de Ware Werkelijkheid (dharmatā, dharmakāya) is waar en werkelijk. Een afhankelijk bestaande is niet werkelijk.

[4] De wetenschap steunt hoofdzakelijk op waarnemingen, d.w.z. voor zover die door de zintuigen waargenomen kunnen worden. Door deze beperking kan zij onmogelijk de niet-fenomenale Ware Werkelijkheid waarnemen. Nochtans begeeft zij zich de laatste jaren meer en meer op een (theoretisch-wiskundig) terrein dat tot dan toe tot de filosofie behoorde, met name dat van de interpenetrerende relatie tussen lichaam (rūpa, stof, vorm, materie) en geest (nāma). Zij is er zich nu van bewust dat de zintuiglijk waargenomen werkelijkheid een begoocheling is en dat het begrip materie, stof, vastheid, niets anders is dan een elke seconde wisselend krachtveld van trillingen, golven en energie (licht) in een relatieve ruimte, die zelf een concept is.

[5] Het begrip goed en slecht/ goed en kwaad is een relatief begrip binnen de cyclus van het samsarische bestaan. Zonder ‘goed’ is er geen ‘slecht’ aangezien de dingen bestaan bij de gratie van relaties, verbanden. Omdat er relaties bestaan kunnen de dingen bestaan. Daarom kunnen we ook niet zeggen: ‘dit is goed, dit is slecht, dit is lijden, zonder rekening te houden met de relaties.

[6] De boeddhist overweegt geen toekomstig geluk als de vrucht van een verworven volmaaktheid: hij zal het nirvāna verwezenlijken door beter in staat te zijn er van af te zien.

[7] Wanneer in Vimalakirti’s verhaal de godin een bloemenregen doet neerdalen gaan de aanwezige monniken lelijk te keer. Śāriputra roept verschrikt uit: ‘Bloemen zijn niet gepast voor monniken!’, waarop de godin antwoordt: ‘Met die bloemen is niets aan de hand, maar wel met jullie allemaal. Die bloemen zijn slechts bloemen, zonder bijgedachten noch fantasieën. Jullie zijn het die gedachten en verbeeldingen koesteren(…)’ (Vimalakirti-nirdeśa)

[8] De juiste shinboeddhistische manier van denken ligt in het streven naar de opheffing van elke vorm van dualiteit en het leven en de wereld te zien als de éénheid van de Verlichting, een éénheid waarin er geen namu is zonder Amida Butsu, maar ook geen Amida Butsu zonder Namu.

[9] De Kālāma’s, een stam in NO - India, ontvingen van Boeddha Gautama de bekende raadgeving over het nagaan van de autoriteit bij het zoeken naar (de) waarheid, waarbij geïmpliceerd wordt dat de relatieve waarheid geen autoriteit van waarde heeft en alleen de Absolute Waarheid waar en werkelijk is. (Kālāma-Sutta, AnN III, 65). De Boeddha gaf de Leer overeenkomstig het begripsvermogen van de toehoorders en aangepast aan de graad van ontwikkeling (kennis) van de Leer. Daarbij openbaarde hij niet direct de volledige waarheid maar gaf hij ‘woorden met bijzondere bedoeling’, een voorlopige waarheid.

Ekō 99

Wat Is Het Boeddhisme?

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home