Geweld En De Leer Van De Boeddha (1)

Martine Strubbe

Met dank aan Shitoku voor zijn onderricht!

Geweld kan zich voordoen als collectief of als individueel gegeven, het kan zich voordoen als fysisch geweld of als psychisch geweld. In deze bijdrage beperken wij ons tot het geweld dat zich afspeelt op het collectieve, politiek/ideologisch vlak.

In de Leer van de Boeddha wordt in verband met geweld gesproken van himsa (schade) en ahimsa (niet-schade)

Voor alle vormen van geweld moeten we ons de woorden van de Boeddha uit de Dhammapada herinneren:

‘Hij schold me, hij sloeg me,

Hij overwon me, hij beroofde me.’

Zij die zulke gedachten koesteren,

Hun haat wordt niet gestild.

‘Hij schold me, hij sloeg me,

Hij overwon me, hij beroofde me.’

Zij die zulke gedachten niet koesteren,

Hun haat wordt volkomen gestild.

Waarlijk: haat door haat

Komt nooit tot stilstand;

Maar door niet-haat komt haat tot stilstand;

Dat is een oude wet.

Dhammapada, Yamaka Vagga 3,4 en 5.

Het ‘oog om oog, tand om tand’ en de vendetta’s overal in de wereld bewijzen de juistheid van de woorden van de Boeddha.

Ook wordt nergens in de boeddhistische literatuur een verantwoording gevonden voor een ‘rechtvaardige’ oorlog, noch voor geweldplegingen binnen een of andere ‘bevrijdingstheologie’.

De handelingen van de historische Boeddha zelf, getuigen van een afwijzen van geweld.

In gevechten tegen zowel zijn eigen stam van de Sakya’s, als in conflicten met hem omringende stammen, poogde hij steeds de partijen te overtuigen elke vorm van geweld te vermijden. Pas wanneer de strijdende partijen niet luisterden, trok de Boeddha zich terug, en liet hij hen hun gang gaan - evenwel zonder hen te veroordelen. Blijkbaar vond hij dat ze eerst de gevolgen moesten zien van hun daden, vooraleer ze konden inzien hoe verkeerd ze waren. Keizer Asoka (- 3e eeuw) is daar een sterk voorbeeld van. Pas na vele oorlogen werd hij zich bewust van het onnoemelijke leed dat zijn veldslagen teweeg brachten. Hij zag af van verdere oorlogsvoering en keerde zich tot het boeddhisme.

Oorlog wordt zo een geschikt middel waaruit veel valt te leren! De IJzertoren in Diksmuide, die uitgroeide tot een symbool van ‘Nooit meer oorlog’, past in deze visie.

In de pança sila (de boeddhistische moraliteit), wordt ook uitdrukkelijk verwezen naar een basisrespect voor alles wat leeft. Het vergt een houding die erop gericht is zo weinig mogelijk lijden te veroorzaken voor zichzelf en alle andere wezens:

‘Ik neem mij voor mij te onthouden van het doden van enig levend wezen’,

‘Ik neem mij voor mij te onthouden van het nemen van hetgeen mij niet gegeven werd’,

‘Ik neem mij voor mij te onthouden van seksueel wangedrag’

‘Ik neem mij voor mij te onthouden van bedwelmende middelen.’

‘Ik neem mij voor mij te onthouden van ongepaste taal’

 

Waar komt onze neiging tot geweld vandaan?

Alle vormen van geweld komen voort uit onwetendheid omtrent onze ware aard, nl. dat alle bestaansvormen ‘niet-zelf’, anattā zijn. Omdat wij de ervaring van onderlinge verbondenheid niet kunnen aanvaarden, of niet kunnen zien, sluiten wij ons op in een cocon van eigen verlangens en opinies. Hierdoor verliezen wij het contact met deze werkelijkheid zoals ze is, als onderlinge afhankelijkheid, en functioneren ‘slecht’ (‘duhkha’) Door deze vervreemding van onze ware aard ontstaan gevoelens van angst en eenzaamheid, die wij willen bevredigen door ons verlangen naar geld, macht, aanzien, bezit, en allerlei sensuele behoeften. Eenieder die ons wil afhouden van onze verlangens en plannen wordt gezien als de ‘vijand’, die moet bestreden worden. Inzicht in deze mechanismen brengt ons tot Wijsheid, tot het besef dat er geen vijand is. Deze wetmatigheid doet zich niet alleen voor op het individuele vlak, maar evenzeer op het niveau van een volk, ras, natie…

 

Mag geweld gebruikt worden om meer lijden te vermijden?

In het vroege boeddhisme werd reeds dit probleem onder ogen gezien. Men vroeg zich af of het bijvoorbeeld toegelaten was een man te doden, die op het punt stond te worden gemarteld, met de dood tot gevolg. Men was geneigd zoiets toe te laten. Maar men bleef voorzichtig: wat indien de beul op het laatste moment toch besluit om de gevangene niet te martelen? Dan heeft men -uit mededogen weliswaar - iemand onnodig gedood… Het feit dát er een afweging werd gemaakt, toont dat de Leer niet dogmatisch moet toegepast worden. Het morele voorschrift luidt trouwens: ‘Ik neem mij voor mij te onthouden’ - wat gezien moet worden als een intentieverklaring, om vanuit een te verwerven instelling van het gemoed welwillend te leren zijn tegenover alle levensvormen.

Ook wat zelfverdediging betreft hangt veel af van de context. Misschien kan veel lijden net vermeden worden door een agressor de pas af te snijden. Van fundamenteel belang hierbij is de innerlijke houding: zo moet de agressor niet vanuit haat maar vanuit gelijkmoedigheid gestopt worden. Op politiek vlak betekent dit m.i. het inzetten van neutrale soldaten van de UNO bijvoorbeeld in conflicten waar partijen tegenover elkaar staan, die reeds generaties lang verteerd worden door haat voor elkaar. Op deze manier kunnen zij misschien een opening vinden, nieuwe inzichten verwerven, afstand nemen en de perspectieven van vrede leren kennen. Want het conflict zal nooit ophouden zolang de gemoedsinstelling van beide partijen niet verandert.

De basisvisie om geweld zonder haat te beantwoorden, maar vanuit niet-haat, verwijst naar de brahmavihara van de gelijkmoedigheid, een verworvenheid voortvloeiend uit mededogen, als resultaten van een leven in aandacht en meditatie. Een illustratie van deze houding is de visie bij de Chinese boeddhisten, die in hun krijgskunsten afzien van het gebruik van ‘conventionele’ wapens, en eerder gebruik maken van de agressieve krachten van de agressor, en deze ombuigen tot een verdedigende kracht. Op die manier krijgt de aanvaller terug wat hij gegeven heeft, en wordt er op een krachtdadige maar gelijkmoedige manier aan zelfverdediging gedaan.

 

In de geschiedenis van Azië kan men voorbeelden aantreffen van boeddhisten die in gewapende conflicten zijn terechtgekomen.

* In de Japanse Middeleeuwen bestonden tempelmilities om zich te verdedigen tegen plunderaars - wat dus in principe mogelijk is binnen de Leer van de Boeddha. Op de duur evolueerden deze echter tot machtsmiddelen, die ingezet werden tegen concurrerende tempels.

* In Tibet hebben de boeddhisten zich in 1952 gewapenderhand verdedigd tegen het Chinese leger. Met de huidige Dalai Lama is dit veranderd in een strategie van communicatie en sensibilisatie van de wereldopinie.

* Enige jaren geleden was de wereld getuige van een gewelddadig conflict tussen ‘concurrerende kloosterordes’ in Korea. Dit was per definitie een conflict dat behandeld werd vanuit ‘ik-denken’ (=machtsdenken), i.p.v. met mededogen. Het is duidelijk dat hier de menselijke zwakheid geprimeerd heeft boven de Leer.

* In de Vietnamese oorlog (1955 - 1975) kende men het fenomeen van de zen-bonzen die zichzelf levend verbrandden, als protest tegen de oorlog. Is dit geweld geoorloofd? Speelt hier geen gebrek aan respect voor het leven mee? Of betreft het hier een manifestatie van Volkomen Mededogen, waarin de monnik omwille van het zinloze geweld, meende in zijn daad een geschikt middel te vinden?

In de Jataka’s is het verhaal bekend van de bodhisattva die zichzelf voor een tijger gooit, om de moeder van een kalfje te redden. En het Mahayana boeddhisme kent het principe van het ‘geschikte middel’ - waarin alles kan omgebogen worden tot heilzaamheid - op voorwaarde dat het vanuit een volkomen zuivere onthechte houding gebeurt. Dergelijke monniken kan men beschouwen als bodhisattva’s, want er is immers bij heb geen gehechtheid meer aan geboorte en dood - samsara is reeds overstegen. Zij stelden hun daad vanuit een neutrale houding, met de heilzame intentie gericht op het geluk van alle wezens (alle oorlogspartijen en bij uitbreiding de hele wereld) en zonder persoonlijke voordeel. Aldus beschouwd was hun zelfmoord geen daad uit schaamte, levensverachting, ego - berekening of terreur, maar vanuit Volkomen Mededogen.

Een aanverwant probleem is dat van de hongerstaking als drukkingsmiddel. De Dalai Lama heeft dergelijke daad ooit bestempeld als een vorm van geweld. Geweld tegen het eigen lichaam, en tegen diegene waartegen men protesteert, die a.h.w. ‘mede-verantwoordelijk’ wordt gesteld voor het lijden van de hongerstaker…Wellicht speelt ook hier de intentie een cruciale rol: de daad moet gebeuren vanuit een volkomen onthechte houding.

(wordt vervolgd)

Ekō 100

Geweld En De Leer Van De Boeddha

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home