Filosofie En Mystiek Van De Jōdo-Shinshū (15)

Dit is het vijftiende deel van een reeks bijdragen gebaseerd op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū’ door Sh. A. Peel [1] worden belicht. Er werd zoveel mogelijk gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven. Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker (MS)

Shinran Shonin (vervolg)

Het Juiste Vertrouwen

De Nembutsu van de Voortijdelijke Gelofte (die bij Shantao en Hōnen nog zelf-krachtpraktijk was) werd door Shinran duidelijk gesteld als ontstaan vanuit de Voortijdelijke Gelofte. Dat is in overeenstemming met de evolutie die de term ‘Nien-fo’/ ‘Nembutsu’ ondergaan heeft: van het ‘denken aan de Boeddha’ evolueerde dit bij T’an-luan naar ‘evocatie van de Naam’; bij Shinran werd het een manifestatie van Amida’s werkzaamheid in de Naam (myōgō) die gehoord wordt.

Voor Shinran zijn het uiten van de Naam en Shinjin onafscheidbare begrippen: Shinjin is de faculteit van het ‘horen’ (door de verwerkelijking van Boeddha’s gemoed in het gemoed van de volgeling) en vanuit Shinjin is het uiten van de Naam de reflectie in dankbaarheid voor dit ‘horen’.

Dit samengaan van Nembutsu en Shinjin betekent voor Shinran Myōgō. Metaforisch gezien is Myōgō het nirvanische aspect van de ‘praktijk’ van de Nembutsu. Het scharniervlak samsara/nirvana zou dan Shinjin zijn. Zo gezien is Myōgō de oorsprong van Shinjin: de niet-tweeheid van horen/uiten ligt aan de bron van de niet-tweeheid van het Boeddha-gemoed en het gemoed van de volgeling. Myōgō is Namu Amida Butsu, dat de dynamiek van de Uiteindelijke Werkelijkheid (‘shinjitsu’) belichaamt.

Wanneer wij Namu Amida Butsu uitspreken is dat de expressie van ons zelfloos besef dat we reeds in die Uiteindelijke Werkelijkheid betrokken zijn.

Wie zich in Shinjin verheugt, zo zegt de Boeddha,
is gelijk aan de Tathāgata.
Het grote Shinjin is Boeddhanatuur,
Boeddhanatuur is Tathāgata.

(Jōdo Wasan 94)

 

De Voortijdelijke Gelofte is dus:

a) Groot Mededogen dat door geen enkele voorwaarde beperkt wordt;

b) De in ons gemoed geactiveerde Uiteindelijke Werkelijkheid: dharmatā-dharmakaya gedynamiseerd tot upāya-dharmakaya.

Zonder dat besef van de Voortijdelijke Gelofte kunnen we niet gewaarworden dat ons hele wezen in dit proces van Mededogen betrokken is: ‘omvat worden en nooit meer losgelaten’…

Wij, in ons ‘ego-dwaaldenken’, creëren een onderscheid tussen Shinjin en Nembutsu. Wij vinden Shinjin moeilijk omdat we niet kunnen vertrouwen op de doeltreffendheid van de zgn. ‘gemakkelijke praktijk’. We menen steeds eigen inspanningen en berekeningen te moeten gebruiken. We voelen ons verplicht zelf te presteren. Bij de werkzaamheid van Amida willen we ook onze voorwaarden stellen, voorwaarden die wortelen in een ik-gerichtheid die steeds aanwezig blijft.

‘Moeilijk ook omdat ‘hoe gemakkelijker’ iets ons schijnt, des te moeilijker het wordt. Er is niets zo moeilijk als het gemakkelijke, er is niets zo ingewikkeld als het eenvoudige’…

De Nembutsu aanvaarden is gegrondvest op de Leer (kyō), waaruit ‘praktijk’ (gyō) ontstaat – hieruit ontstaat verwezenlijking, geboorte in het Reine Land (shō).

De tussenliggende factor ‘shin’ (het Vertrouwen) behoort echter niet tot onze kwalificaties. ‘Shin’ is het bindmiddel.

Bij Shinran is de ‘persoon’ die de praktijk verricht niet het ‘wezen’, maar Amida, het oneindige Boeddhaschap. Deze praktijk is uiteraard eveneens oneindig in ruimte en tijd, daarom is dit Grote Praktijk (dai-gyō.) Omdat wij niet bij machte zijn ons een ‘beeld’ te vormen van die oneindigheid van Wijsheid en Mededogen is die praktijk moeilijk voor ons; omdat het ons bevattingsvermogen overtreft is Shinjin moeilijk.

Shinjin, het ‘gemoed van Vertrouwen’, is voor Shinran ‘zonder twijfel’, zonder aarzelend betwijfelen van Amida’s Kracht. Zo bezien is twijfel zelfkracht (Jiriki-shin), berekening (hakarai), een dualistische instelling en beredeneerd.

Shinjin is negatie van de eigen gemoedsopstelling, niet-zelf, wat in overeenstemming is met het eerste basiscriterium van de boeddhistische doctrine. Shinjin is aldus de ‘vervulling’ van de ‘niet-zelf’ leer (anattā!).

Daniëlle Girardin stelt: “Vertrouwen is ook niet echt een ervaring, het is eerder de matrix waarbinnen ervaringen zich afspelen.”

In de traditionele Mahayana-terminologie komt de term ‘matrix’ (baarmoeder) ook voor: ‘garbha’(zoals in Tathāgatagarbha, de bron van de Verlichting.) Daniëlle Girardin ziet het volstrekte vertrouwen als de ‘baarmoeder’ van het boeddhaschap, dat de wezens te wachten staat op het moment dat zij tot Ander-Kracht worden via Shinjin en Ōjō in gensō-ekō.

In de evolutie naar Shinjin, evolueert men van totale zelfkracht naar Ander-Kracht. Dit uit zich in de overgang van de ‘diverse praktijken’ volgens de 19e Gelofte, via de zelfkracht-Nembutsu van de 20e Gelofte, naar de ‘Ander-Kracht Nembutsu’ van de 18e Gelofte. De inwerking van de Voortijdelijke Gelofte betekent qua praktijken een geleidelijke afzwakking van de zelfkracht en een geleidelijke toename van de Ander-Kracht werkzaamheid, zó dat bij het verwezenlijken van Shinjin geheel het heilsgebeuren tariki wordt en de tegenstelling jiriki/tariki ophoudt te bestaan. Elke overgang is een ‘omkering van het gemoed (e-shin) teweeggebracht door de Ander-Kracht, a.h.w. door de aantrekkingskracht die van de 18e Gelofte uitgaat. De werking van de 18e Gelofte is immers steeds in ons aanwezig; zij is het die de ‘omkeringen’ verwekt, ook in de zogenaamde zelfkrachtsituaties van de 19e en 20e Geloften. De neiging om ‘bijkomende handelingen’ te beoefenen en de ‘meditatieve en niet-meditatieve praktijken’ te verrichten, is het typische kenmerk van het zelfkrachtgemoed.

Paradoxaal genoeg is de diepste, d.i. de meest hardnekkig ingewortelde vorm van zelfkracht attitude uiteindelijk de uitspraak: ‘ik geloof dat Amida’s reddende kracht mij zal redden.’

Shinran aanvaardt dat op het niveau van de 19e Gelofte enkel de zelfkracht werkzaam is, en op het niveau van de 20e Gelofte er een samenspel is van zelfkracht en Ander-Kracht. Maar Shinran is er ook van overtuigd dat ál wat een wezen in de richting van het Reine Land stuwt, in feite zijn oorsprong heeft in de Ander-Kracht. Praktijken die ons als zelfkracht overkomen zijn in feite een aspect van Ander-Kracht, dat als ‘geschikt middel’ de verschijning van zelfkracht aanneemt. Wij denken dat wijzelf over onze heilswerkzaamheid beslissen, maar in werkelijkheid worden wij geïnduceerd en karmisch geconditioneerd vanuit de Ander-Kracht werkzaamheid. Volgens Shinran moeten wij ons enkel keren tot de werkzaamheid van Amida. Amida is in ons werkzaam of we ervan bewust zijn of niet. Het erkennen en ervaren van deze werkzaamheid in ons is Shinjin.

Hierbij spreekt Shinran niet in een tijdsverband, noch in het verleden noch in de toekomst. De Voortijdelijke Gelofte is geen ‘gebeurtenis’ in het verleden noch is de vervulling ervan een gebeurtenis in de toekomst, maar de kracht alles simultaan te maken.

De vervulling van de Voortijdelijke Gelofte geschiedt in een existentieel ogenblik van het uiterste heden. Het Reine Land is het oprijzen van een toekomst voorbij elk mogelijk ogenblik in de toekomst, net zoals de Voortijdelijke Gelofte werkzaam is vóór elk denkbaar ogenblik in het verleden.

Shinjin is het erkennen van de niet-tweeheid van Amida’s gemoed van Groot Mededogen en het gemoed van de volgeling.

Tenslotte dient er nogmaals op gewezen te worden dat er volgens Shinran twee zijden zijn aan Shinjin:

a)      het realiseren van Amida’s werkzaamheid in ons én in de wereld;

b)      het realiseren van de fundamentele ‘slechtheid’ van de eigen aard. ‘Slecht’ verwijst hier naar ‘spiritueel onvermogen’, te wijten aan ‘slecht karma’. We zijn immers allen ‘mensen van slecht karma’ dat resulteert uit onze inspanningen de eigen berekeningen voorop te stellen.

Deze twee zijden van Shinjin worden door de myōkōnins simultaan vertolkt als de paradox van de niet-tweeheid ‘vreugde en droefheid’.

a)      vreugde: als uitdrukking van Amida’s werkzaamheid;

b)      verdriet: ons ‘ingebouwde’ verzet tegen deze werkzaamheid.

Wanneer het koud is, zitten in de warmte;

Wanneer het heet is, lopen in de koelte.

De wezens zijn niet anders dan de Boeddha;

De Boeddha is de tienduizend wezens.

(Wang Anshi (1021-1086) in Twee Opschriften op de muur van het Panshan –klooster.)

 

[1] Sh. A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū’. De Simpele Weg – Antwerpen 196. Ook beschikbaar in de bibliotheek van het Centrum.

 

Ekō 101

Filosofie En Mystiek Van De Jōdo-Shinshū

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home