Filosofie En Mystiek Van De Jodo Shinshu (17)

Dit is het zeventiende deel van een reeks bijdragen gebaseerd op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū’ door Sh. A. Peel worden belicht. Er werd zoveel mogelijk gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven. Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker (MS)

Situering van de Jōdo-Shinshū in het geheel van het boeddhisme

Vanaf de introductie van het boeddhisme in China poogde men de diverse scholen onder te brengen in classificatiesystemen. Het systeem volgens Chih-i, stichter van de Tien-t’ai (538-597) is meest gekend, daarnaast heeft o.a. ook de Hua-yen-school er een opgesteld.

Ook in Japan werden dergelijke klasseringen gedaan. Hierdoor kan elke school of beweging duidelijk gesitueerd worden.

Het eerste hoofdstuk van de Senchakushu van Hōnen was gewijd aan de situering van de Jōdo-Shū binnen het mahayana. Ook de patriarchale lijn door Shinran opgesteld bekrachtigt de plaats van Jōdo-Shinshū.

Hōnen was de eerste in Japan die een zelfstandige en exclusieve Nembutsu-beweging oprichtte, de Jōdo-Shū, in 1175. Dit ging gepaard met tegenkantingen van de gevestigde tempels, maar ook met interne spanningen. Na de dood van Hōnen viel de Jōdo-Shū uiteen in vier takken. Shinran Shonin zette enkel de Jodo-Shū van Hōnen voort, ook al was er een doctrinair verschil ontstaan. Dat Shinran van Jōdo-Shinshū (de ‘ware essentie van het Reine Land’) sprak was in feite geen eigen vinding, maar een term die hij uit een soort ‘testament’ uit 1211 van Hōnen zélf haalde. Toch voelde Shinran de noodzaak zijn eigen visie, die wat afweek van Hōnen’s, duidelijk te situeren, en er de markante kenmerken van te bespreken. In de Kyōgyōshinshō iii, 51 – 52 omlijnt hij ‘zijn’ Jōdo-Shinshū als volgt:

De ‘bodhi-citta’ uit zich in de diverse scholen als een verticale of als een dwarse sprong.

In het verticale onderscheidt men een ‘verticaal gaan’ dat uitmondt in een ‘verticale sprong’. Dat is het proces dat zich afspeelt in het ‘diamantharde gemoed van zelfkracht’. Het is het Grote Bodhisattva-gemoed.

In het dwarse onderscheidt men eveneens twee fasen: een ‘dwars gaan’ en een ‘dwarse sprong’.

Het ‘dwarse gaan’ is een ‘zelfkracht praktijk binnen Ander-Kracht’. Hierbij worden allerlei praktijken van meditatieve en niet-meditatieve aard bedoeld.

De ‘dwarse sprong’ is het vreugdig vertrouwen in de verdiensten-overdracht volgens de Geloftekracht, die Ander-Kracht is. Dit is het ‘diamantharde gemoed van de dwarse sprong’, die het eigene uitmaakt van de Jōdo-Shinshū, waar de Tariki-Nembutsu volgens de 18e Gelofte werkzaam is.

In Mattoshō, viii, plaatst Shinran zijn Jōdo-Shinshū in boeddhistische traditionele categorieën. Zodoende stelt hij dat de ‘huidige school’ behoort tot de schat van de Boeddha en tot het bodhisattva-voertuig; verder behoort het tot de lering van de plotse verwezenlijking; het behoort tevens tot het pad van de gemakkelijke praktijk. De praktijken van de Jōdo school behoren verder tot de ‘juiste’ praktijken’, en die praktijk hoort thuis in de ‘dwarse’ sprong. Jōdo is verder ook nog de lering van de universele toepassing.

Ekō 103

Filosofie En Mystiek Van De Jodo Shinshu

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home