Filosofie En Mystiek Van De Jodo Shinshu (18)

Dit is het achttiende deel van een reeks bijdragen gebaseerd op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū’ door Sh. A. Peel [1] worden belicht. Er werd zoveel mogelijk gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven. Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker (MS)

Natuurlijkheid: jinen-hōni

Amida’s werkzaamheid is op zich ‘gemakkelijk’- want de natuurlijke activiteit van het boeddhaschap – maar wij zijn het die moeilijkheden maken, omdat wij twijfelen en onnatuurlijke berekeningen maken.

Het is door de overdracht van Amida’s onmeetbare verdiensten (ekō) naar ons toe dat onze heilsverwezenlijking (shō) tevens voorwaarde is voor zijn verwezenlijking, die niet los te denken is van de verwezenlijking van alle wezens.

Amida’s verwezenlijking, de vervulling van de heilsfunctie, speelt zich af buiten tijd en ruimte (in de oneindigheid van de tijd, en de oneindigheid van de ruimte), en is het resultaat van de 48 geloften van Dharmākara. Daarom kan men spreken van een natuurlijke toestand, en niet van een selectief wilsbesluit.

“En waarom doe ik dat? Omdat ik onvoorwaardelijk de last van alle wezens op mij wil nemen. Dat is echter niet zomaar mijn eigen wil: het bevrijden van alle wezens is immers mijn gelofte.”

(Siksāsamuccaya – Bodhisattva-geloften)

Deze natuurlijkheid is jinen-hōni.

“Wie in harmonie is met de natuurlijkheid, zal de weldadigheid van de Boeddha ervaren.”

(Mattoshō vi)

De term jinen-hōni

Ji-nen betekent letterlijk: ‘zelf - zo’ (‘as - it - isness’ bij D.T. Suzuki). De Chinese vorm ‘tzu - jan’ werd al in vóór - boeddhistische tijden gebruikt, bij de vroeg - taoďstische auteurs. A.C. Graham vertaalt het als ‘so - o f - itself -, en verklaart de term als ‘spontaneďteit’. [2]

“[De wijze] wandelt voortdurend in natuurlijkheid (tzu-jan) en voegt uit zichzelf niets toe aan het levensproces.” (Chuang-tzu, v)

“In de natuurlijkheid van overeenstemming met de dingen is er geen plaats voor zelf - gerichtheid.” (Chuang-tzu, vii)

“Als maatstaf (fa = Sk. Dharma) heeft de mens de aarde, de aarde heeft de hemel (t’ien), de hemel heeft de Weg (tao), de Weg heeft de natuurlijkheid (tzu-jan)” Lao-tzu, xxv.

Opvallend in deze citaten is de connotatie van ‘niet-zelf’ die aan ‘tzu-jan’ wordt gegeven. Het is tevens duidelijk dat zowel het taoďstisch als het boeddhistische gebruik van ‘tzu - jan’ overeenstemt met de ‘zoals - het - isheid’ van de dingen (Sk. Bhutatathatā of yathābhūtam.)

Hōni betekent ‘dharma - zoals - het is’, het ‘zo - zijn’ in dharmatā. Dit lijkt een van oorsprong boeddhistische term te zijn, waarschijnlijk door Shinran zélf ontworpen als ‘technische term’, waarin de idee van spontaneďteit versterkt wordt door de term ‘ni’ en tevens in verband wordt gebracht met de leer (J. hō, Sk. dharma)

Shinran stelt jinen - hōni gelijk met Ander-Kracht; de soteriologische tegenhanger is jiriki - berekening.

Vermits de ‘ware natuur’ niets anders is dan de Boeddha - natuur, is de ‘natuurlijkheid’ de Ware Werkelijkheid van het Boeddhaschap, Tathāgata, Leegheid, de dynamiek van een ‘horizontale’ mystiek, waarin alle wezens vervat zitten.

Deze dynamiek activeert:

a)     shō: de uiteindelijke heilsverwezenlijking van alle wezens in hun niet – tweeheid, noch nirvana, noch samsara, conform aan Nagarjuna in zijn Mūlamadhyāmika Karika.

b)     Shinjin: de ‘mens van shinjin’ ervaart nog in dit samsarische bestaan de niet - tweeheid van het ‘lijdende wezen’ en de ‘opheffing van het lijden.’

c)      Ekō: elk wezen in zijn ware natuurlijkheid (leegheid, zoheid, totaliteit, interpenetratie) is verbonden aan de Verlichting (geboorte in het Reine Land) die binnen bereik ligt door het afleggen van het ego - denken. Dit is het aspect van ōsō-ekō: het gaan naar Nirvana. Gelijktijdig hiermee ontplooit zich het terugkeren als Boeddha - kracht (Ander - Kracht) naar samsara. Zo wordt gerealiseerd dat het nirvanische niet verschillend is van het samsarische, maar dat er wél twee perspectieven mogelijk zijn.

Dit alles kan bijgevolg als een cirkel worden voorgesteld:

Dharmakāya-dharmatā
 
Gensō-ekō   Dharmakāya-upāya
 
Ōjō   Dharmākara = Amida
 
Shinjin/Nembutsu   Hongan
 
Myōgō

  

Dharmakāya-dharmatā: kleur-en vormloos, onvoorstelbaar, ondenkbaar, onverwoordbaar, want overheen het conceptuele denken (zie Nagarjuna), maar van in het ‘Voortijdelijke’ in alles betrokken. Is ‘wijsheid’, is Verlichting, is Verwezenlijking.

Dharmakāya-upāya: de dynamiek van het ‘geschikte middel’, het Grote Mededogen.

Dharmākara: enerzijds de causale voorstelling van Amida Butsu (van het onvoorstelbare Oneindige Boeddhaschap), anderzijds Amida als sambogha-kāya, de projectie van het ideaal van Verlichting.

Hongan: de Voortijdelijke Gelofte; het Grote Mededogen geformuleerd als natuurlijke werkzaamheid.

Myōgō: de Naam, Namu Amida Butsu, het raakvlak van de Boeddhawerking en de menselijke (onder de zinnen vallende) voorstelbaarheid.

Shinjin/Nembutsu: samenkoppeling van de verbalisering van de Naam (uitspreken) en van het Boeddha-gemoed (bodhicitta) dat het eerste aspect (de ‘vestiging’) van de Geboorte is.

Ōjō: de Geboorte in het Reine Land, d.i. tot de ultieme en volkomen niet-tweeheid. Het worden tot Ander - Kracht door transformatie van het karma; de transpersoonlijke participatie aan het Mededogen.

Gensō-ekō: de Verdienstenoverdracht in de fase van de Terugkeer naar wat samsara genoemd wordt, maar in het perspectief van Zoheid/Verlichting naar de ‘niet-tweeheid van samsara/nirvana’, d.i. van jiriki/tariki, vermits geheel het heilsgebeuren in feite tariki is.

Jinen-hōni: j de natuurlijkheid, d.i. de Boeddhanatuur die alle wezens drijft naar hun ware natuur, de Verlichting.

De rechterhelft van de cirkel verwijst naar Amida, de linkerhelft naar het wezen. Maar in dharmakāya-dharmatā en in myōgō komen Boeddha en wezen als ‘Midden’ bijeen. De leer is de Leer van het Midden.

Wat de heilzoekende mens dient te doen, is in deze jinen-hōni cirkel opgenomen en betrokken te worden, zelfs al verliest hij daarin zijn op zelfkracht gefundeerd streven naar het heil. Want hij wéét dat het ‘Verlangen naar Geboorte’ niet zijn écht verlangen is (karmisch is hij immers geblokkeerd), maar het ‘verlangen’ van het Boeddhaschap: de ‘handeling’ van de Boeddha (buddhakarma)

Elke zelfberekening maakt dat men eigenlijk natuurlijkerwijze buiten de jinen-cirkel blijft. Toch zal de Ander-Kracht (het ‘extraverte’ aspect van jinen-hōni) werkzaam blijven ook op en in de wezens buiten deze cirkel…

De ware essentie van het Reine Land, Jōdo-Shinshū, is uiteindelijk niets anders dan het integreren van jinen-hōni.

Amida kan niet gescheiden van ons gezien worden. Dit wordt uitgedrukt in Namu Amida Butsu: hierin vervat zit het nirvanische aspect van de aanwezigheid van Amida’s oneindige gemoed in ons gemoed (als myōgō) én de ervaring ervan als horen/uitspreken.

Onze ‘anti-jinen-hōni’, onze ‘hakarai’, is het onheilzame, wat Shinran het ‘kwade’ noemt. Dit maakt ons tot ‘wezens van slecht karma’. Deze situatie lost zich ‘natuurlijk’ op bij overgave aan de Ander-Kracht.

[1] Sh. A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū’. De Simpele Weg – Antwerpen 1996. Ook beschikbaar in de bibliotheek van het Centrum.

[2] A.C. Graham: ‘Disputers of the Tao’, Lasalle 1989, p. 190.

 

Ekō 104

Filosofie En Mystiek Van De Jodo Shinshu

jikōji - 慈光寺

© 2005

info-at-jikoji.com

          home