De Totaliteitsvisie volgens de Leer van de Boeddha (2)

Martine Strubbe

Het paradoxale karakter van een totaliteitsvisie

De verwoording van een inzicht dat intuïtief verkregen werd vanuit de onmiddellijke ervaring, is paradoxaal van aard.

* Zo kan enerzijds het gebruik van de discursieve vermogens een middel zijn om inzicht te verwerven in de ware aard van de wereld en van de menselijke geest, maar anderzijds wordt ook de beperktheid van de rede blootgelegd, en openen zich nieuwe perspectieven overheen de rede.  Inzicht in de leer van de Boeddha leidt niet zozeer tot ‘geleerdheid’ maar tot religieus besef.  Niet de kennis omwille van de kennis is hier belangrijk, maar wel de kennis omwille van het heil.  Niet de ‘oneindige keten van oorzaken en omstandigheden’ zélf is het doel (dat is eerder een pretentie van de exacte wetenschappen), maar wel het besef van causaliteit, het intuïtief inzicht dát er een oneindige keten van oorzaken en omstandigheden achter elk gebeuren zit, die alles met alles verbindt, en dat alles in alles aanwezig is.  Misschien zouden we dát het Mysterie kunnen noemen?

In deze totaliteitsvisie ontspint zich een dynamiek van de mens naar Verlichting en dan terug naar de wereld van de mens.  Dit is in wezen een mystieke weg. 

* Er zijn nog andere voorbeelden van dit paradoxale karakter.  Welke termen moeten wij bijvoorbeeld hanteren om dit wereldbeeld aan te duiden?  Noch loutere transcendentie is hier aan de orde, noch loutere immanentie, maar wel beide samen…

Zo spreekt de Madhyāmaka over ‘advaita’ (‘niet-tweeheid’), Taitetsu Unno over ‘transdescendentie’ en T’an-luan’s visie wordt door Roger Corless omschreven als ‘monistisch pluralisme’.

De historische Boeddha had het concept God als schepper, wetgever en rechter niet nodig om het lijden in de wereld te verklaren, en daarom kan men de Leer van de Boeddha noch als atheïstisch noch als theïstisch bestempelen.  Maar evenmin kan men stellen dat zijn Leer agnostisch is.  De Boeddha kende wellicht het antwoord op de godsvraag, maar weigerde hierover te spreken, omdat hij besefte dat zijn intuïtief verkregen inzicht niet adequaat verwoord kon worden.

In het mahayana – boeddhisme ontstond de neiging om een eerder kosmische dimensie te geven aan de Leer van de Boeddha – met als culminatie de Hua - yen school. 

Een term als ‘dharmadhātu’ (‘kosmos als identiteit en onderlinge afhankelijkheid’) of de meer algemene mahayana term  ‘dharmakāya’ (‘lichaam of totaliteit van de Dharma’), die om redenen van praktijk namen krijgt als Vairocana (‘Gelijk aan de Zon’), Amitābha (‘Onmeetbaar Licht’), Amitāyus (‘Onmeetbaar Leven’) of Amida (‘Onmeetbaar Licht en Leven’), komen het dichtst bij wat men in het Westen een immanent Godsbeeld zou noemen. 

* De Leer van de Boeddha wekt ook de interesse op van de humanisten, maar ook de kwalificatie als humanisme roept paradoxen op.   

De Leer van de historische Boeddha wordt soms gekwalificeerd als één van de oudste vormen van humanisme, en dat is ongetwijfeld zo.  Hij stelde duidelijk dat de mens zélf verantwoordelijkheid draagt in het ontstaan van het lijden, en in de opheffing ervan.  Toch overstijgt zijn leer – zo blijkt duidelijk in de Hua - yen vorm - het louter mensgerichte, door alle wezens, de ‘voelende’en de ‘niet - voelende’ wezens, de mensen, dieren, planten, wolken en rivieren op te nemen in de heilsweg.

Hoewel in de leer van de Boeddha een humanistische tendens aanwezig is, kan men toch niet van klassiek humanisme spreken, want de mens wordt verdrongen van zijn alleenrecht op de wereld.  Dit opent de mogelijkheid tot sterke ecologische betrokkenheid, een aspect dat ook in meer hedendaagse vormen van humanisme te vinden is.

Het paradoxale karakter van de totaliteitsfilosofie verklaart meteen waarom het probleem van religie zo complex is.  Het is immers in het toegankelijk maken dat deze intuïtieve inzichten gemakkelijk gecorrumpeerd worden: de namen die men aan de totaliteit geeft, de aard van de relatie die men daarmee aangaat, de nadruk die gelegd wordt op één of ander aspect van de totaliteit, de diverse al té letterlijke interpretaties en allerlei verbeeldingen maken de ontsporing mogelijk, met onverdraagzaamheid tot gevolg.

De Hua - yen filosofie biedt in haar open systeem mogelijkheden om alle tegenstellingen tussen religie en filosofie, tussen religie en wetenschap, tussen psychologie en religie te verzoenen door de aandacht te verleggen naar de fundamentele ervaringen van de mens, waarvan het enkel de verwoordingen zijn die tot tegenstellingen leiden.

 

Ethiek

De functie van het wereldinzicht dat hier kort werd voorgesteld, is tot ethisch handelen te komen, en dat is het handelen in overeenstemming met de werkelijkheid zoals ze is.

De Leer van de Hua - yen noemt men soms de leer van het ‘niet - hinderen’, ‘wu ai’, omdat fundamenteel duidelijk is geworden dat alles wat er is er mag zijn, er moet zijn, en nooit iets anders kan uitsluiten.  Leven vanuit deze Wijsheid is handelen vanuit mededogen, want het is een handelen in overeenstemming met de werkelijkheid. 

Wijsheid/Mededogen is het andere zien zoals het is, zonder de werkelijkheid te kleuren met een persoonlijke afkeer, ontdaan van het conventionele, illusoire denken: als alles het lichaam van Amida is, hoe kan het ene dan waardevol zijn en het andere waardeloos?

Vanwege het inzicht in de onderlinge afhankelijkheid en interpenetratie, kán de heilsweg geen individuele zaak zijn.  Dat is het basisprincipe van de bodhisattva in het mahayana - boeddhisme, het wezen dat leeft vanuit een ethisch besef dat zijn daden hoe dan ook een invloed hebben op het net waar hij deel van uitmaakt, en zich daarom voorneemt alleen maar heilzame daden te stellen, en de vruchten ervan te delen met alle wezens in het universum.

Leven vanuit deze houding van niet-tweeheid leidt tot soepelheid, die de verandering van de wereld aan kan, een bereidheid tot openheid en waarachtige tolerantie, een gevoeligheid voor de uitersten zonder erdoor meegesleurd te worden, een gevoeligheid voor de interpenetratie van ‘absolute’ waarheid en de relatieve, door mensen gemaakte waarheid.

De mens die deze Middenweg bewandelt is als een brug, een verzoener van tegenstellingen – een ‘verschijning’ van Wijsheid en Mededogen.

 

Tot slot

Vanuit het oneindige naar de eindige dingen kijken, leidt tot een doorleefde en vervullende ervaring van het leven, waar niet zozeer het stellen van de zinvraag aan de orde is, waar geen zin moet gezocht worden, maar waar zin gevonden wordt door met alle dingen in de wereld inzichtelijk om te gaan, en de taken van alledag in perspectief te vervullen.  Zo is religieus denken vooral een realistisch denken, een uittocht uit de illusie, en een praktische filosofie, die de weg bewandelt doorheen het alledaagse waardoor een ‘eigenzinnige maar zinnige’ omgang met de wereld mogelijk wordt, zonder gevaar te lopen zich vast te rijden in de modder van een plat materialistisch, egocentrisch en uitzichtloos bestaan – noch zich over te geven aan een fundamentalistische, idealiserende interpretatie van religie.  Zo kan de mens deze wereld van de tijdelijke fenomenen ten volle affirmeren, want elk gebeuren, elk ding kan een teken worden van een werkelijkheid die veel groter is dan hem zelf en die zijn eigen beperktheid en verantwoordelijkheid bloot legt.

Ekō 110
De Totaliteitsvisie volgens de Leer van de Boeddha

jikōji - 慈光寺

© 2006

info-at-jikoji.com

          home