Niet - Verzamelde Brieven van Shinran Shonin

Frits Bot

Inleiding

Hieronder volgt een vertaling van enkele losse brieven van Shinran die bewaard zijn gebleven en dus niet in één van de verzamelingen voorkomen. Hierin lezen we over zijn bezorgdheid betreffende het lot van mensen uit zijn huishouden die niet met hem meegereisd waren naar Kyōto. Hij doet hierbij een beroep op zijn volgelingen deze mensen te steunen (brieven 1, 3 en 4). Ook overlijdensberichten van volgelingen bereikten Shinran blijkbaar per brief. Hier beschrijft Shinran het Reine Land duidelijk als ‘plaats’ waar hij de mede-volgelingen van leer weer zal ontmoeten na zijn dood, in plaats van er op een abstracte, onpersoonlijke manier over te schrijven (brief 2). Een korte brief doet duidelijk denken aan de referenties in Tannishō naar volgelingen die de lange reis naar Kyōto ondernamen om direct onderricht van Shinran te krijgen (brief 5). Tenslotte nog een brief die qua inhoud sterk overeenkomt met de tweede brief van de verzameling “brieven uit de traditie” (verschenen in Ekō 112). Waar die brief gericht was aan Shinran’s volgeling Shōshin-bō, is deze brief gericht aan Shinran’s zoon zelf. (brief 6).

Al met al geven deze brieven ons een indruk van een aantal zaken waarmee Shinran te maken kreeg gedurende het laatste gedeelte van zijn leven dat hij in Kyōto doorbracht. (Frits Bot)

 

1.

Je hebt me een brief geschreven betreffende Iya, het dienstmeisje. Er is nog steeds geen plaats waar ze kan wonen, terwijl ze ontberingen ondergaat. Het is inderdaad betreurenswaardig. Ik kan geen oplossing vinden, ik weet niet wat te doen.

Hoogachtend.

Derde maand, 28ste dag

Aan: Ōgozen SHINRAN [geschreven zegel]

 

2.

Ik heb je brief van de eerste dag van de ingelaste tiende maand [1] zorgvuldig gelezen. Ik ben werkelijk bedroefd over Kakunen-bō te horen. Ik verwachtte dat ik eerst zou gaan [naar het Reine Land], maar ik ben achtergebleven; het is onbeschrijflijk triest. Kakushin-bō, die ons vorig jaar verliet, is zeker [naar het Reine Land] gegaan en wacht daar op ons. Het is overbodig te zeggen, dat ik hem daar zal ontmoeten; dat is niet in woorden uit te drukken. Kakunen-bō’s uitspraken verschilden in het geheel niet van de mijne, dus we zullen zeker naar dezelfde plaats gaan [het Reine Land].

Als ik in de tiende maand van het volgende jaar nog in leven ben, zal het ongetwijfeld mogelijk zijn elkaar nogmaals te ontmoeten in deze wereld. Aangezien jouw vertrouwensgemoed ook niet van het mijne verschilt, zal ik op je wachten in het Reine land mocht ik eerder gaan.

Ik zou willen bevestigen, dat ik de giften van de mensen daar ontvangen heb. Zo lang ik nog leef zal ik over alles blijven schrijven, ik hoop ook van jou te horen. Het is bijzonder ontroerend deze brief van je te ontvangen; mijn woorden zijn niet toereikend. Ik zal zeker nogmaals schrijven.

Hoogachtend,

Ingelaste tiende maand, 29ste dag [1259]

SHINRAN

[geschreven zegel]

Antwoord aan de lekenmonnik uit Takada

 

3.

Toon deze brief alstublieft aan de mensen uit Hitachi. Er is geen verandering. Aangezien niets doeltreffender zal zijn dan deze brief, zullen ze je gevoelens delen als je hem laat zien.

Hoogachtend,

Elfde maand, 11de dag

Aan: de moeder van Imagozen

[geschreven zegel]

 

4.

De moeder van Imagozen heeft niemand op wie ze kan rekenen. Als ik bezit had, zou ik het aan haar nalaten. Ik ben er zeker van dat de mensen daar met haar zullen meevoelen na mijn dood. Aangezien ik afhankelijk ben van de mensen uit Hitachi aan wie ik schrijf, vraag ik jullie allemaal haar met mededogen te behandelen. Besteed alstublieft aandacht aan deze brief. Betreffende Sokushō-bō: aangezien hij niet in zijn levensonderhoud kan voorzien, kan ik hem niet vragen voor haar te zorgen. Betreffende deze zaak voel ik me even machteloos en verontrust over allebei. Ik ga Sokushō-bō niet vragen haar te helpen. Het zijn de mensen uit Hitachi die mededogen moeten tonen voor deze twee. De mensen daar zouden voor hen sympathie en betrokkenheid moeten tonen. Als ze deze brief lezen, zouden ze dezelfde gevoelens moeten delen.

Hoogachtend,

Elfde maand, 12de dag

Aan: de mensen uit Hitachi

ZENSHIN

[geschreven zegel]

 

5.

Enbutsu-bō keert terug uit Kyōto. Vanwege zijn sterke verlangen is hij hier gekomen zonder zijn meester in te lichten. Spreek alstublieft met zijn meester met dit in gedachten. Gedurende de nacht van de tiende was er brand. Enbutsu-bō slaagde er desondanks in op bezoek te komen. Zijn verlangen is bijzonder. Hij zal het zeker over deze gebeurtenissen hebben, luister naar wat hij erover te zeggen heeft. Ik heb het erg druk en kan niet alles schrijven over de verschillende zaken.

Hoogachtend,

Twaalfde maand, 15de dag

Aan: Shinbutsu-bō

[geschreven zegel]

 

6.

Ik heb exact gehoord wat je gezegd hebt. Het is vooral onbegrijpelijk dat iemand genaamd Aimin-bō gezegd heeft, dat hij een brief [van mij] uit Kyōto ontvangen heeft. Het is ontstellend dat hij zegt een brief van mij te hebben, terwijl ik hem nooit ontmoet heb, nooit een brief van hem ontvangen heb en nooit met hem gecommuniceerd heb.

Verder heb ik dergelijke beweringen over de leer zoals jij die verkondigt nooit gehoord, of zelfs maar de terminologie die je gebruikt. Ondanks dat heb je anderen verteld dat ik ze je ‘s nachts privé heb onderwezen. Dus, wat mij ook aangaat, zeggen de mensen uit Hitachi en Shimotsuke dat ik tegen ze gelogen heb. Daarom zal de relatie tussen ons als vader en zoon niet langer bestaan.

Verder is het onbeschrijflijk erg dat je ongegronde beschuldigingen maakt over je moeder, de lekennon. De vrouw uit Mibu kwam een brief brengen waarvan ze zei dat ze hem van jou ontvangen heeft; ze heeft de brief hier achtergelaten. Ik heb deze brief van jou. In deze brief, zoals hij is, staat geschreven dat je bent bedrogen door je “stiefmoeder”; het is werkelijk betreurenswaardig. Het is een verschrikkelijke leugen te zeggen dat je moeder – die je “stiefmoeder” noemt – terwijl ze nog leeft, je bedrogen heeft.

Verder doe je in de brief aan de vrouw uit Mibu beweringen over je geboorte, terwijl je daar niets over weet. Dat zijn totaal onbegrijpelijke onwaarheden. Ik betreur deze droevige materie.

Het is verontrustend dat je zulke leugens hebt verkondigd en dat je er een petitie over hebt ingediend bij de ambtenaren uit Rokuhara en Kamakura. Onwaarheden van deze soort zijn wereldlijke zaken en kunnen dus als zodanig worden afgedaan. Toch is het vertellen van leugens verachtelijk. Des te erger is het mensen te misleiden omtrent de belangrijke zaak van geboorte in het Reine Land, de mensen van de nembutsu uit Hitachi en Shimotsuke in vertwijfeling te brengen en ongegronde beschuldigingen over je vader te doen.

Ik heb gehoord dat je de Achttiende Voortijdelijke Gelofte vergeleken hebt met een verdorde bloem, waardoor de mensen haar verlaten hebben. Dit is werkelijk het vergrijp van kwaadspreken van de leer. Verder is het betreurenswaardig in te stemmen met de vijf ernstige vergrijpen [2] en de mensen te benadelen door ze te misleiden.

Het vergrijp waar we hier over spreken, tweedracht zaaien in de gemeenschap, is één van de vijf ernstige vergrijpen. Het doen van ongegronde beschuldigingen over mij is het vermoorden van je vader; ook dat is één van de vijf ernstige vergrijpen. Ik kan mijn verdriet hierover niet volledig onder woorden brengen. Van nu af zal er geen ouderlijke relatie meer bestaan met jou; ik beschouw je niet langer als mijn zoon. Ik verklaar dit resoluut tegenover de drie juwelen en de goden. Het is bedroevend. Het verscheurt mijn hart te horen, dat je je hebt gewijd aan het misleiden van de mensen van de nembutsu uit Hitachi door te zeggen dat [wat ze hebben geleerd] niet mijn ware leer is. De geruchten dat ik je heb geïnstrueerd je afkeuring uit te spreken over de mensen uit Hitachi die de nembutsu reciteren hebben zelfs Kamakura bereikt. Het is diep betreurenswaardig.

Vijfde maand, 29ste dag

[geschreven zegel]

Antwoord aan Jishin-bō

Aangekomen: zesde maand, 27ste dag

Gekopieerd voor naslag: Kenchō 8 [1256], zesde maand, 27ste Dag.

Gekopieerd: Kagen 3 [1305], zevende maand, 27ste dag

(Vertaling: Frits Bot)

[1] In de tijd van Shinran werd in Japan nog gebruik gemaakt van de Chinese maankalender. Bij deze kalender wordt elke twee of drie jaar een extra maand ingelast om het verloop t.o.v. het astronomische jaar te compenseren. Dit lijkt dus op de extra dag in februari tijdens de schrikkeljaren bij de Gregoriaanse kalender zoals wij die gebruiken.

[2] De vijf ernstige vergrijpen zijn de volgende: 1. je vader vermoorden, 2. je moeder vermoorden, 3. een Arhat vermoorden, 4. het lichaam van de Boeddha doen bloeden, 5. tweedracht zaaien in de Sangha. Binnen het boeddhisme bestaan meerdere van dergelijke opsommingen van voorschriften. De hierboven vermelde zijn voor het Reine Landboeddhisme van belang, omdat de achttiende gelofte (welke een zo centrale plaats inneemt binnen de traditie) overtreders van deze voorschriften uitsluit van geboorte in het reine land. Overigens interpreteerde Shinran deze uitsluitingclausule meer als waarschuwing dan als daadwerkelijke uitsluiting van geboorte.

Ekō 113
Brieven uit de Traditie

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home