Ikkyū Doka (1)

De gelukkigen die een kopie hebben kunnen bemachtigen van dit heel knappe werkje van de inmiddels opgedoekte Uitgeverij ‘De Simpele Weg’ mogen zich gelukkig prijzen: het is en blijft een uniek project… maar het werkje is helemaal uitgeput, en zal niet meer herdrukt worden. Wel gaan we de waardevolle inhoud in schijfjes in meerdere Ekō’s opnemen: daarmee blijft het werk van Shitoku beschikbaar en krijgen al onze lezers de mogelijkheid om te genieten van de knappe essays en de originele vertalingen van Ikkyū’s werk. Wij willen echter niet zomaar de gedichten zelf afdrukken, maar ook de inleidende essays. Zo maken wij in dit nummer kennis met de dichter Ikkyū...

“Ikkyū, die ook wel eens Shūken, Sōjun, Kyōun, Mukei enz. genoemd wordt, werd in 1394 geboren als (onwettige) zoon van een hofdame, weliswaar uit het prestigieuze Fujiwarageslacht, en Go-Komatsu, Japans 100ste keizer. De keizerin was met die geboorte beslist niet opgetogen en joeg hofdame en boorling van het hof.

Toen hij 5 was, werd Ikkyū als novice opgenomen in de tempel Ankoku-ji. Veel over die periode uit zijn leven is niet geweten. Rond zijn twintigste, hoorde hij vol lof spreken over Zenleraar Kasō Zenji en - na wat moeite - slaagde hij erin in diens tempel te Katada als monnik opgenomen te worden. Deze tempel was evenwel in een jammerlijke toestand; er was bijvoorbeeld voortdurend voedselgebrek en meermaals trok de jonge Ikkyū naar de hoofdstad Kyoto om er wierook te vervaardigen die hij dan ten bate van zijn tempel verkocht. Zo verliepen er jaren, vaak in een begrijpelijke spanning tussen de wijze leraar en diens eigenzinnige discipel.

Toch: op een mei-avond in 1420, bij het krassen van een raaf, verwezenlijkte Ikkyū satori. Zijn meester Kasō schreef hiervoor een certificaat uit, maar de voortvarende Ikkyū wierp het verachtend op de grond en ging heen. Kasō Zenji schreef er dan een ander, dat jaren nadien toch in Ikkyū’s handen zou vallen, samen met een emotionele brief waarin de meester o.a. schreef:

"Toen je verlicht werd, gaf ik je een papier met boeddhistische woorden. Jij vroeg me daarop waarom ik een paal zocht om er een ezel aan vast te binden. En je ging ervandoor en sloeg het stof van je mouwen…"

Kasō stierf in 1428. Van toen af begon voor Ikkyū een zwervend bestaan, waarbij hij niet enkel de ‘gewone mensen’ de Leer bijbracht, maar tevens bittere kritiek uitte op de monniken van zijn tijd, hun instellingen en dogmatische houdingen. Als hij op zijn tochten niet in een of andere tempel vertoefde, leefde hij meestal in een kleine strohut in de omgeving van Kyoto.

Deze verachting van wereldse praal, deze beslist boeddhistische bescheidenheid, bezorgden hem een kring vlijtige volgelingen. In 1433 werd hij zelfs geroepen om aan het keizerlijke hof te prediken… of hoe een dubbeltje rollen kan…

Na de verwoesting van Kyoto in 1467 tijdens de Ōnin-burgeroorlogen, werd hij door de toenmalige keizer Go-Tsuchimikado (1475) geroepen als 47ste hoofdpriester van de Rinzaitempel Daitoku-ji. Het was hem onmogelijk deze waardigheid af te slaan, maar hij uitte zijn weerzin o.m. in een doka:

Vijftig jaar lang was ik een mens
in een strooien regenjas
en met een grote strohoed.
Nu voel ik verdriet en schaamte
in deze purperen pij.

In de winter van 1481 werd hij ziek en overleed op 21 november, 86 jaar oud. Zijn stervensgedicht zou als volgt geluid hebben:

Duister dertig jaar lang,
zwakjes dertig jaar lang,
zestig jaar lang duister en zwakjes…
Bij mijn dood laat ik slechts mijn stront achter
en schenk hem aan Brahma.

Net daarvóór had hij op zijn laatste portret nog geschreven:

De wilg is groen, de bloem is rood,
de pelgrimstocht is voorbij
en vandaag, in dit seizoen,
breek ik mijn stok in twee
en verbrand hem in de sneeuw van juli.

Ekō 116
Ikkyū Doka

jikōji - 慈光寺

© 2008

info-at-jikoji.com
          home