Ikkyū Doka (2)

Shitoku A. Peel

Dit werkje van de voormalige uitgeverij ‘De Simpele Weg’, is spijtig genoeg niet meer te verkrijgen. Om de lezers van Ekō toch in contact te brengen met deze inspirerende verzenbundel die door Shitoku werd vertaald en van commentaar voorzien, werd besloten om de inhoud in enkele afleveringen af te drukken in Ekō. In het vorige nummer stelden wij de dichter Ikkyū voor. In dit nummer volgt een bespreking van het werk van Ikkyū in het algemeen.

Ikkyū’s Śuvre

Het blijkt zo goed als onmogelijk een ietwat systematisch overzicht van Ikkyū’s literaire activiteit op te maken.

Zo bestaan er twee bundels heel bedenkelijke humoristische anekdoten, de in 1700 (!) uitgegeven Ikkyū Totsu, en de in 1725 uitgegeven Zoku Ikkyū Totsu - meer dan twee eeuwen na zijn dood…-, waarbij het erg moeilijk valt uit te maken welke van die verhaaltjes biografisch authentiek ofwel verzonnen zijn.

Zo wordt hem ook een commentaar op het vermaarde Hart Sutra (Hannya-shin-gyō) toegeschreven, waaruit hij zo zeer ‘on-Ikkyū-achtig’ overkomt dat R. H. Blyth, de grote kenner van de Zenpoëzie, spreekt van de stijl van een Sunday School Teacher…

Ook twee Nō-spelen worden hem, waarschijnlijk eveneens ten onrechte, in de schoenen geschoven.

Iets beter (maar vermijden we liefst historische superlatieven) is het gesteld met zijn nogal didactisch poëtisch werk in het Chinees.

Gelukkig: Op zijn naam staat immers een Kyōun - shū, een na zijn dood door zijn discipelen samengestelde bundeling van zowat 150 doka’s, boeddhistische waka’s, dit zijn 5-regelige gedichten van meestal 31 lettergrepen.

Overloopt men Ikkyū’s doka’s -haiku’s worden hem niet toegeschreven- dan valt het onderscheid met andere (latere) Zendichters zoals Bashō, Hakuin of Ryōkan dadelijk op. Niet alleen is Ikkyū in zijn poëtische taal scherper, vaak zelfs tot in zwarte humor toe, maar hij staat ook veel dichter bij het dagelijkse leven van de mens als ‘gewoon mens’.

Zo bv. wat het seksuele leven van man – en - vrouw betreft, dat hete hangijzer in de Chinese en Japanse cultuur, het verschil tussen beide geslachten en de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man, zozeer dat de vrouw als vrouw zelfs geen Verlichting kan verwezenlijken:

Wat de huid betreft
hoe groot toch is het verschil
tussen man en vrouw.
Maar wat het gebeente betreft
zijn beide enkel menselijke wezens.

Hierbij staat duidelijk ‘huid’ voor het ‘uiterlijke’, en ‘ gebeente’ voor het ‘innerlijke’.

Het is bovendien alsof hij de techniek van de Zenkritiek toepast op alle aspecten van het dagdagelijkse en daarbij niet aarzelt ook het pseudo-Zendenken en de Zeninstituties een fikse Zenveeg uit de pan te geven, hoofdzakelijk dŕŕr waar de boeddhistische geestelijken (en dit geldt niet enkel voor Zen!) willen beweren dat ze ‘anders en beter’ (willen) zijn.

Zijn natuurgevoel is concreter, lichamelijker, dichter bij de dingen - of ze bestaan of niet bestaan, waar of onwaar zijn… Soms zou je geneigd zijn hierbij te denken aan Issa’ s benadering van de dingen. Maar daar waar Issa (1763-1828) in zijn dichterlijke taal uitmondt in een poëzie van tederheid en Amida’s mededogen, daar hanteert Ikkyū onbeschaamd het Zenzwaard dat hij van Mańjusrī geërfd heeft.

Of moeten we naar de historische context, naar de Zeitgeist kijken? Beantwoordt Ikkyū blijkbaar aan de hardere Zenprojectie uit zijn troebele, wreed - krijgszuchtige 15de eeuw, terwijl de meeste meer befaamde Zendichters zich konden verlustigen in de toch politiek ‘rustigere’ en ‘religieuze’ Tokugawa - constellatie en zich allicht meer aan landschappelijke beschouwingen kunnen wijden?

*****

Als men de doubletten of bijna - doubletten (waarvan we in nr 38 en 38bis (1) toch een voorbeeld geven) weglaat, dan blijven er een honderdtal doka’s over, welke typisch voor Ikkyū zijn en die we zonder aarzelen wél als authentiek kunnen bestempelen.

Sommige van deze gedichten werden voordien één - of zelfs tweemaal naar het Engels vertaald, o.a. door R. H. Blyth in enkele jaargangen van Young East. Jaren terug verscheen ook in het Nederlands een korte selectie van 15 doka’ s.

De huidige uitgave, zowat 30 jaar later maar van dezelfde vertaler,

is -dank zij meer ervaring met Japan, met de Japanse poëzie en met het Japanse boeddhisme- uitgebreid tot een 30-tal doka’s, alle herzien, herwerkt en beslist dichter bij hun Japanse brontekst. De nummering verwijst naar Blyth’s uitgave.

Het oorspronkelijke project van deze uitgave voorzag o.m. de weergave van de Japanse tekst van deze gedichten.

Om diverse redenen van praktische aard werd hiervan afgezien. Komt daarbij dat de uitgever zeer bewust gekozen heeft voor een niet-academische publicatie, dus zonder apparatus criticus. Dat houdt meteen ook in dat voetnota’s (buiten de zeer spaarzame eindnota’s) en bibliografische verwijzingen in het water gevallen zijn, ofwel in dat van het gindse Biwa-meer of in dat van onze Noordzee…

Een ander probleem dat zich gesteld heeft, is dat van de o! zovele woordspelingen. Woordspelingen zijn als bij bepaling onvertaalbaar, vaak zelfs totaal onverstaanbaar, niet enkel voor anderstaligen maar ook voor mensen van die oorspronkelijke taal. En dit geldt zeker voor Chinese of Japanse woordspelingen… We hebben geprobeerd in het volgende hoofdstukje toch één voorbeeld ervan te geven. Maar: bij de ‘verklaring’ van zo’n woordspeling, gaat de pointe verloren. Doordat men zich verplicht voelt daarbij zoveel rationaliserende ‘uitleg’ te geven, dan moet de poëtische on-uit-legbaarheid wel afsterven. En daarom: onze oprechte excuses aan de Heren en Dames japanologen…

Nog een ander probleem bij het omzetten van deze Japanse naar onze Nederlandse poëzie, was de verlangde bedoeling zoveel mogelijk de originele prosodie aan te houden. Dat betekent dat de (vijf) versregels van de Japanse doka per versregel met de Nederlandse versbouw zouden moeten overeenstemmen. Maar wegens de totaal verschillende zinsbouwstructuren bleek ook deze bedoeling wishful thinking. Het volgens dit procédé verkregen ‘Nederlands’ bleek te incoherent en bijgevolg onbegrijpelijk. Neem als voorbeeld hiervoor de plaats van het vervoegde werkwoord. In de Nederlandse spraakkunst is dit één van de grote problemen die anderstaligen ondervinden; dat weet iedereen die ooit geprobeerd heeft Nederlands aan ‘vreemdelingen’ bij te brengen.

Dus ook onze illusie een zo nabij mogelijke weergave te publiceren kwam - zoals het alle illusies overkomt - terecht in een wereld van virtuele onmogelijkheid…

Ekō 117
Ikkyū Doka

jikōji - 慈光寺

© 2008

info-at-jikoji.com
          home