Ikkyū Doka (3)

Shitoku A. Peel

Ikkyū en Rennyō - een Confrontatie

Dit werk van de voormalige uitgeverij ‘De Simpele Weg’ is spijtig genoeg niet meer te verkrijgen. Om de lezers van Ekō toch in contact te brengen met deze inspirerende verzenbundel die door Shitoku werd vertaald en van commentaar voorzien, bieden wij het werk in afleveringen aan. Hieronder volgt - nog altijd ter inleiding op de eigenlijke dichtbundel - een bespreking van de relatie tussen Ikkyū en Rennyō.

Heel merkwaardig blijkt een poging tot vergelijking van levensloop en werk en consequenties van twee ‘priesters’ die (althans literair) de Japanse 15de eeuw beheerst hebben.

Ikkyū is een ietwat oudere tijdgenoot - zeggen we zowat één generatie ouder - van Rennyō. Ze hebben beide hun bestaan, hun activiteiten en hun betekenis doorgebracht in diezelfde moeilijke periode van feodale burgeroorlogen en de religieuze disputaties die (onvermijdelijk…) ermee gepaard gingen.

Zowel Ikkyū als Rennyō zijn in feite eerstgeboren maar toch onwettige kinderen: de ene via een Fujiwara-hofdame aan het keizerlijke hof. De andere, weliswaar een klasse lager, was zoon van een meid in dienst van de 7de Hongwanji-hoofdabt. Zoiets heeft ze beiden onvermijdelijk erg getekend, maar tevens opengesteld naar vragen over aristocratisch, d.i. maatschappelijk en zelfs religieus voorrecht. Denken we hierbij aan het issendai-probleem waarbij bepaalde sociale ‘klassen’ van elke mogelijke Verlichting uitgesloten waren.

Maar nà die moeilijke ‘kinder- en puberteits’-periode hebben zij - zij het ook via verschillende kanalen - deze handicapsituatie overwonnen en zijn ze - elk via de eigen kanalen - uitgegroeid tot eminente persoonlijkheden die heel wat van hun tijd getekend hebben.

De grote, maar historisch niet beantwoorde vraag is of ze elkaar ooit rechtstreeks of onrechtstreeks zouden gekend of zelfs ontmoet hebben. Diverse anekdotes doen dit weliswaar vermoeden, maar in hoeverre zijn die anekdotes enkel anekdotisch? Of louter verzinsels? Anders gezegd: in hoeverre is de Ikkyū Totsu in parallel te stellen met Rennyō’s Go-ichidai-kikigaki, de verzameling uitspraken welke aan Rennyō toegeschreven worden.

Toch even een voorbeeld van zo’n anekdote:

Er was te Kyoto een beroemde pijnboom die Heel Kromme Pijnboom werd genoemd. Ikkyū plaatste vóór die boom een plakkaat waarop te lezen stond: “Ik zal één kan (± 4 kg) goud schenken aan diegene die deze kromme pijnboom recht kan zien.” Dit kwam Rennyō ter ore. Zonder de boom gezien te hebben, zei hij: “Ik ken het antwoord en eis dus de kan goud op.” Ikkyū reageerde hierop door het plakkaat om te draaien. Daar stond te lezen: “Dit geldt niet voor Rennyō.” Toen men Rennyō naar het antwoord vroeg, zei deze: “Het antwoord is heel eenvoudig. Om deze boom recht te zien, volstaat het te weten dat hij krom is.”

Houden we het bijgevolg bij een mogelijke comparatie. Rennyō’s sterkte ligt ongetwijfeld in zijn proza, hoofdzakelijk zijn Ofumi (‘Brieven’). Het poëtische werk dat van hem overgebleven is, is - buiten hier en daar toch een toevallig hoogvliegertje - literair te verwaarlozen.

Omgekeerd is het bij Ikkyū overduidelijk dat zijn prozawerk, authentisch of hem toegeschreven, verre niet zo schitterend overkomt als zijn waka’s.

Maar legt men onbevooroordeeld Rennyō’s proza en Ikkyū’ s poëzie naast mekaar, dan valt op hoe thematisch en ook atmosferisch gelijklopend ze zijn (met het onvermijdelijke verschil tussen enerzijds poëzie en anderzijds epistolair proza) in hun scherpe, vaak ironische en/of bittere kritiek op de pastores et claustra et ecclesiae van hun tijd. En beiden deinzen ze niet terug voor een brok (Japanse, zwarte) humor. Maar daar hebben wij, westerlingen, blijkbaar minder gevoeligheid voor.

Maar Zen (en zeker Rinzai-Zen) en het Reine-Landboeddhisme (en zeker Jōdo-Shinshū) verschillen, zeker wat organisatie en praktijken betreft, van elkaar, ook bij Ikkyū en Rennyō. We willen wel aannemen dat Ikkyū zich gehouden heeft aan de conventionele celibaats- en kuisheidsregels in voege bij de Rinzai-Zen (nemen we dat maar aan, ook als…), de man Rennyō is vijfmaal gehuwd geweest en heeft 27 kinderen ter wereld laten komen. Zoiets maakt nolens volens elke visie op de mensenwereld verschillend.

Maar het blijft niet bij die individueel-menselijke projectie. Rinzai-Zen is principieel een monnikenorde, liefst gevestigd in mooie afgelegen natuurgebieden; Jōdo-Shinshū is feitelijk een leken-boeddhisme geworteld in het dagdagelijkse leven van enkeling en maatschappij, aanvankelijk vooral ingeplant bij landbouwers en stedelijke middenklassers.

Zo komt het dat Ikkyū het daarom hoofdzakelijk heeft over (= tegen) twijfelachtige monniken en niet aarzelt zelfs de conventionele leeroverdracht aan te pakken. Rennyō daarentegen richt zijn kritiek meestal op twijfelende, vaak schijnheilige leken.

Toch mag zo een verschil niet kunstmatig opgedreven worden. Ikkyū vertoont overigens heel wat begrip voor het Reine-Landboeddhisme. Soms zelfs heeft de aandachtige lezer de indruk dat - althans voor sommige aspecten - hij elk onderscheid minimaliseert en Zen en Shin gelijkwaardig acht als twee verschillende modi van eenzelfde verlichtingstechniek.

Vruchteloos
Amida zoekend
in het Westen
zonder te beseffen
dat hij in het Zuiden is…

zodat de keuze tussen Zen en Shin in feite een zaak van persoonlijke instelling en persoonlijke voorkeur is, zonder dat de ene de andere uitsluit, evenmin als het Zuiden ooit het Westen kan uitsluiten. Maar wél dat het Boeddhaschap, dat de enen satori en de anderen shinjin noemen, in onze lichamelijkheid nama-rupa aanwezig is. Dat blijkt immers uit een woordspeling (hier heb je ze!): het ‘Zuiden’ is minami, terwijl het gelijkklinkende minna-mi neerkomt op ‘alles in het lichaam’.

Alfred Bloom beschrijft de relatie Ikkyū/Rennyō als volgt (in Pacific World, III, 1): “One may imagine this exchange arising in friendly banter between two friends. Yet, it captures two approaches to Pure Land teaching as it evolved from Hōnen and his emphasis on the sole practice of nembutsu. Ikkyū sees the exclusivistic, discriminating feature of the practice, confronting the world. Rennyō, however, points to the universal, inclusive character of Amida Buddha that underlies the practice. The one views nembutsu from the outside, while the other experiences it from the inside.”

Ofschoon sommigen stellen dat Ikkyū geen ‘echte’, ‘klassieke’ Zen-poëet is zoals Bashō of Hakuin of Ryōkan, toch kan evenmin gezegd worden dat hij een Shin-dichter zou zijn, zoals eeuwen na hem Issa of Saiichi (1850-1932). M.i. staat hij wél dicht bij sommige Chinese Ch’an-poëten uit de late T’ang- en de vroege Sung-dynastie, maar that’s another question…

Ekō 118
Ikkyū Doka

jikōji - 慈光寺

© 2008

info-at-jikoji.com
          home