Korte presentatie van het boeddhisme       

 
 
Inleiding
Vier Edele Waarheden
Edele Achtvoudige Pad
Leven Met Boeddha
Wijsheid En Mededogen
Optimisme
Coördinaten

Inleiding       

Stilletjes aan weet nu wel iedereen dat het Boeddhisme een ‘godsdienst’ is die ontstond in de 6de eeuw v.Chr. in het noordoosten van het huidige India. En dat die ‘godsdienst’ verkondigd werd door een zekere ‘Boeddha’, een historisch personage met voornaam Siddharta en familienaam Gautama, van de clan der Shakya’s, waarom hij dan ook wel Shakyamuni, de ‘Wijze van de Shakya’s’ genoemd wordt.

Dat woord ‘Boeddha’ betekent eigenlijk ‘de Verlichte’, dit is: een mens die de Verlichting verwezenlijkt heeft. Hij is dan ook geen ‘god’. Boeddha spreekt zelfs niet eens van een God, schepper van hemel en aarde: dat probleem bleek voor hem niet het geringste belang te hebben. Er is dan ook in het Boeddhisme geen enkel leerpunt dat zou wijzen op een plusminus overeenkomst met iets dat wij in de Westerse denken ‘God’ zouden noemen.

Het Boeddhisme is daarom ook geen ‘godsdienst’ in de eigenlijke betekenis van dat woord: het dienen van een god. Maar vermits het Boeddhisme als heilsleer heel bepaald werkzaam is op het spirituele niveau en daarbij gebruik maakt van elementen die door ons Westers denkpatroon in de sfeer van ontzagwekkendheid gerangschikt worden, kan men - met een flinke korrel zout - toch stellen dat het Boeddhisme wèl een religie is, maar dan een religie zonder God…

Het zou anderzijds onjuist zijn het Boeddhisme te bestempelen als een filosofisch stelsel of als een morele code die de mens zou leren ‘goed’ te leven. Ondanks het feit dat sommige vaststellingen die de Boeddha en/of zijn volgelingen sinds iets meer dan 2 500 jaar gedaan hebben en die overeenstemmen met recente ontdekkingen en conclusies op het vlak van bijvoorbeeld fysica, logica of psychologie, is zijn leer toch geen gesloten, afgerond, ‘wetenschappelijk’ systeem.

Wèl is het Boeddhisme vooreerst een geheel van leer- en leefregels waarmee het mogelijk wordt dat de wezens (en in het bijzonder de mens) erin slagen zich uiteindelijk te bevrijden uit het lijdensbestaan. Deze leer heeft van zijn stichter een dynamisme meegekregen, krachtig genoeg om het voortschrijden van de tijd en het steeds maar veranderen van omstandigheden op te vangen. Daardoor beschikt het Boeddhisme over een onverwachte soepelheid zich aan te passen aan toestanden, culturen en beschavingen die vaak (meestal!) in felle tegenstelling tot elkaar schijnen te staan. Het volstaat bijvoorbeeld even na te gaan hoe diep de Indische mentaliteit verschilt van de Chinese aard, om zich terdege af te vragen over welke interne dynamiek het Boeddhisme toch heeft moeten beschikken om die blijkbaar onoverbrugbare kloof toch te overbruggen. Men zou trouwens hetzelfde kunnen denken van de relatie tussen het Oosterse en het Westerse denken, waarvan het verschil door hoog en laag dik in de verf wordt gezet.

Maar het Boeddhisme is een waarlijk universele heilsleer waarin de cultuurpatronen zeker geen overheersende rol kunnen of mogen spelen. Het verwijst immers naar het algemeen menselijk verschijnsel van een lijdensbestaan en doet, om dit lijden te overwinnen, beroep op algemeen menselijke waarden, begrippen en mogelijkheden. Men hoeft echt geen Tibetaan, Thai of Japanner te zijn om het Boeddhisme te belijden en te beleven.

Alle Boeddhistische doctrines, hoe verscheiden of uiteenlopend ze ook schijnen, en in de mate waarin ze openbloeien via een traditionele filiatie en in een beveiligende overdracht van de leer, gaan terug op één fundamenteel heilsonderricht dat ons bewaard is geworden in een weelde van canonieke geschriften. Alleen al de Chinese kanon telt ongeveer 13 520 titels!

Weliswaar verschillen die doctrines vaak: ze gaan terug vàn elkaar door eigen interpreteringen van die teksten. Maar het is een feit dat die verschillen hun oorsprong vinden juist in de soepelheid en de openheid van de Leer; de éne stroming zal bijvoorbeeld de moraliteit sterker beklemtonen, de andere legt meer nadruk op meditatie of ritueel. Maar elk onderscheid tussen de verschillende stromingen berust in feite niet op doctrinaire basisverschillen, maar komt neer op de toepassing van de diverse mogelijkheden en methodes die aangeraden worden om het onderricht van de Boeddha om te zetten in de praktijk van het dagelijkse bestaan.

Gezegd wordt trouwens dat de Boeddha zelf 84 000 verschillende versies van zijn leer zou onderricht hebben, rekening houdend met de morele en spirituele vermogens van zijn toehoorders…

top

Vier Edele Waarheden       

Men kan de essentie van het Boeddhisme, gemeenschappelijk aan alle scholen, samenvatten in wat de traditie de ‘Vier Edele Waarheden’ noemt. Hierin geeft Boeddha een erg precieze beschrijving van het wel en wee van onze menselijke conditie; daarbij geeft hij meteen ook een ideëel schema van de weg naar het heil zoals die toepasselijk is voor alle wezens.

De Eerste Edele Waarheid zegt ons dat het leven, zoals wij het dagelijks ervaren, getekend is door het lijden in zijn menigvuldige vormen. Het bestaan in de wereld van lijden, de wereld van geboorte-en-dood is immers onvolmaakt. Ofschoon er onbetwistbare momenten van vreugde, ja misschien zelfs van geluk zijn, toch blijft het fundamenteel onvolmaakt. Het draagt de onvermijdelijke tekenen van leed: zowel van lichamelijke pijn en smart als van de overtalrijke, voelbare maar ook verraderlijke vormen van mentaal, psychisch, spiritueel lijden.

Naast de ‘gewone’ aanwezigheid of dreiging van verval, ziekte, ouderdom, dood, ook nog de ontelbare vormen van angst, obsessie, wanhoop, wrijvingen, frustraties, conflicten, onderdrukkingen, onvoldaanheid, hopeloosheid.

Dat lijden heeft noodzakelijkerwijze een oorsprong. Daarop antwoordt de Tweede Edele Waarheid: het lijden ontstaat uit ons eigen leven. We moeten er niemand, noch medemens noch een of andere God de schuld van geven. Oorsprong ervan is ons leven van zelf-gerichte verlangens, passies, haat en begeerte: alles naar ons toe trekken alsof we het zwaartepunt van het heelal zijn, alles zien door de ego-gekleurde bril.

Welnu, zegt ons de Boeddha, dat ik dat wij zo centraal stellen in onze existentie, is slechts een illusie. Het is een zelfbegoocheling, een miserabel teken van eigendunk, een fundamentele denkfout. We staan er voortdurend op dat ik door dik en dun te affirmeren en te krijten, dat al het leed dat ons overkomt, voortkomt uit de weigering van de anderen dat ik van ons te aanvaarden, te verafgoden, op hetzelfde voetstuk te stellen als wij ervoor voorzien hebben.

Waar dan dit lijden van ons ontstaat uit onze begeertes die gedoemd zijn onvoldaan te blijven, zo ontstaan die begeertes uit de ik-illusie die wij diep in ons hart koesteren ondanks de altruïstische pretenties en excuses waarmee we kwistig omspringen. Het niet-doorhebben van die ik-illusie, dat noemt de Boeddha de onwetendheid (of beter nog: het niet-weten). Het betreft hier helemaal geen gebrek aan kennis noch aan verstand. Het niet-weten is gewoon die eigen-aardige en intieme vorm van illusie over onszelf.

Deze illusie maakt dat we er niet in slagen de wereld die ons omringt te zien in zijn ware aard. Zo begaan we ondermeer de vergissing de vergankelijke dingen te beschouwen als waren ze eeuwig en onveranderlijk. Wij verlangen ernaar, we geraken eraan gehecht omdat we ze met ons eigen ik vereenzelvigen en we willen dat dit ik eveneens eeuwig en onveranderlijk is. En als die dingen ons ontglippen, dan lijden we onder hun verlies.

Heeft men eenmaal het ontstaan van het lijden gesitueerd, dan weet men meteen ook hoe men er een eind aan moet stellen: dat is de Derde Edele Waarheid, over de opheffing van het lijden. Schakelen we de onwetendheid uit, dan schakelen we de ik-gerichtheid, d.w.z. de begeertes uit. Hierdoor realiseren we de toestand van het niet-lijden. Deze toestand van spirituele volmaaktheid is rust, noemen de Boeddhisten het nirvana, de uitdoving van het lijden. Dat nirvana wordt ook anders genoemd: de ‘Verlichting’, het ‘Boeddhaschap’, het ‘Reine Land’.

We kunnen die waarheden best vergelijken met een geneeskundige behandeling: de eerste Waarheid komt overeen met het vaststellen van de symptomen, de tweede is dan de diagnose en de derde Waarheid is de medicatie. Nu komt er ook op aan de geschikte geneesmiddelen in te nemen: dat is de Vierde Edele Waarheid, de weg die voert naar opheffing van het lijden. Boeddhistisch spreekt men hier van het Edele Achtvoudige Pad, omdat het samengesteld is uit 8 ‘regels’.

top

Edele Achtvoudige Pad       

Om goed uit te drukken dat het in dit Pad gaat om een algemene dynamiek en niet zomaar een morele code, wordt dit achtvoudige pad meestal voorgesteld als een wiel met acht spaken. Die acht ‘spaken’ zijn: (1) juist inzicht, (2) juiste gezindheid, (3) juist gebruik van woorden, (4) juiste handelswijze, (5) juist levensonderhoud, (6) juiste inspanning, (7) juiste achtzaamheid en (8) juiste geestesconcentratie. We kunnen hier niet diep ingaan op de diverse aspecten van dit pad, het zou ons te ver afleiden. Maar wel moeten we vaststellen dat we die 8 spaken in drie groepen kunnen schikken.

 De eerste groep (1 en 2) is die van de spaken die betrekking hebben op de Wijsheid. Het Boeddhisme is immers bij uitstek de religie van de Wijsheid met een grote W. Nemen we het ‘juiste inzicht’: dat betekent niet zo maar het intellectuele kennen van al wat er in de boeken staat. Het valt Boeddhisten steeds al maar op hoe weinig meestal de grootste sanskritisten of sinologen die zich ‘boeddhologen’ noemen, van het innerlijke van de leer afweten en hoe vaak ze daardoor de bal misslaan vanaf het ogenblik dat het weten (niet het ‘kennen’) verder moet gaan dan de oppervlakte.

Toch hoort op één of andere manier dat cognitieve ‘kennen’ erbij, maar veel belangrijker is wat men wel eens het totaal-weten geheten heeft, waarbij de emotionele, esthetische, spirituele beleving doorslaggevend is. Bij deze zelfde Wijsheid hoort tevens de geestesattitude, de wil Boeddha’s heilsleer te vatten, door te zetten, in alle vezels van zijn wezen te ervaren en te vervullen.

De tweede groep die deel uitmaakt van het Achtvoudige Pad (‘spaken’ 3, 4 en 5) komt neer op het zedelijke gedrag in daden, woorden en gedachten. In feite is in het Boeddhisme die moraliteit niet determinerend. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het Christendom waarin de zedelijkheid (denk maar aan de 10 Geboden!) een hoofdrol speelt en waar het begrip ‘zonde’ in de allereerste plaats een ethische betekenis heeft, behoort in het Boeddhisme het zedelijke gedrag meer tot de infrastructuur van de leer, als een milieu dat de noodzakelijke bodem moet leveren voor het op- en openbloeien van de Wijsheid.

Er is immers geen god die het goede beloont en het kwade straft. Boeddhistisch denkt men immers niet in dergelijke tegenstellingen. In strikte zin is er dan ook geen sprake van zonde. Voor de Boeddhist zijn zijn handelingen heilzaam of onheilzaam, bevorderlijk of vertragend op zijn weg naar de bevrijding uit het lijden. De mens zelf is schepper en verrichter van zijn daden. Maar hij draagt er ook de gevolgen van. Dat is de wetmatigheid van het ‘Karma’.

En toch is het wellicht om die hoogstaande moraal dat het Boeddhisme in de wereld zo een weergalm vindt. Zo bijvoorbeeld wordt het Boeddhistische ‘niet doden’ heel ver doorgetrokken. Men kan nota bene vaststellen dat er nooit in naam van de Boeddha of van het Boeddhisme een oorlog gevoerd werd of dat andersdenkenden vervolgd zijn. Overal en altijd heeft het Boeddhisme een absolute geweldloosheid verkondigd. Het gebod ‘Gij zult niet stelen’ wordt in het Boeddhisme uitgebreid tot ‘niet nemen wat niet gegeven is’.

Het juiste woordgebruik beperkt zich niet tot niet liegen. Ook niet lasteren, niet kwaadspreken, niet beledigen, geen ruzie maken, niet het laatste woord willen en zelfs niet kletsen-om-zomaar-te-kletsen horen hier thuis. Seksualiteit wordt binnen bepaalde perken gehouden; overspel bijvoorbeeld wordt niet enkel als een sociale storing ervaren, maar afgeraden als zijnde spiritueel storend, net als gebruik en misbruik van bedwelmende middelen. Daarbij moet onderlijnd worden dat die ‘geboden’ niet de vorm van een opgelegd verbod aannemen, maar in positieve zin gesteld zijn als ‘ik neem mij voor mij te onthouden van…’, waarbij de gevoelselementen van vrijheid en verantwoordelijkheid opmerkelijk zijn.

De derde groepering van spaken (6-7-8) heeft direct betrekking op het beheersen en vrijmaken van de geest. Het is hier dat we het zwaartepunt van de Boeddhistische praktijken aantreffen. In zijn diverse strekkingen heeft het, in de loop der eeuwen, reeksen meditatie- en contemplatietechnieken uitgewerkt, waarvan sommige een zekere bekendheid verworven hebben (die niet altijd van misverstand gespeend blijft) en andere in de psychische geborgenheid van de leraar/discipel-verhouding beoefend worden.

De waarde en de inslag van deze technieken worden nu wereldwijd erkend. Dit is misschien de meest markante bijdrage van het Oosten aan het Westerse denken. Toch werden heel wat van die technieken van hun oorspronkelijke bedoeling afgebogen. Zo bijvoorbeeld hoort men wel eens beweren dat ‘meditatie’ bestemd is om psychologische problemen op te lossen, m.a.w. dat de Boeddhistische meditatie met doeltreffendheid aspirine of librium kan vervangen. Dat is het ware doel en de diepe bedoeling van de meditatie ontkennen en verdraaien vanaf het religieuze niveau naar de individuele psychische problematiek.

top

Leven Met Boeddha       

Het Boeddhisme is geen theorie, maar een dagelijkse beleving. Men kent natuurlijk in onze landen een zeker ‘Salon-Boeddhisme’ dat een samenraapsel is van allerlei vage negentiende-eeuwse dromerijen en wat Oosters getheoretiseer. Boeddhisme is echter de dagelijkse praktijk, welke die ook moge zijn. Zonder die praktijk, geen Boeddhisme. Boeken lezen noch boeken schrijven heeft daar iets mee te maken.

Daarom is het zo van belang te leven met de Boeddha.

Zo leert zijn onderricht dat waarheid én volmaaktheid inderdaad in de mens kunnen verwezenlijkt worden. Maar dat veronderstelt een intens beleefde spirituele evolutie. Het volstaat immers niet iets te geloven of aan iets te geloven. Ook het aanhangen van één of andere theorie, zoals men zichzelf ‘existentialist’ noemt als men intellectueel het existentialisme aankleeft, blijft buiten de Boeddhistische levenssfeer. Het is juist door de dagelijkse omgang met de leer van de Boeddha dat de gezochte religieuze opgang mogelijk wordt. Elk ogenblik dient de dominantie van de leer in het gemoed van de Boeddhist present te zijn.

Zo is er een onophoudelijk besef van de algemene vergankelijkheid nodig. De Boeddha heeft immers onophoudelijk en met klem gewezen hoe geheel het denkbare heelal, met al zijn werelden, al zijn dimensies, al zijn wezens in voortdurende verandering is. En dat sinds een tijdloos verleden en tot in een tijdloze toekomst. Alles in de lijdenswereld komt op en vergaat. Die cyclus van worden en ontworden heeft natuurlijke oorzaken en redenen die in de existentie zelf ingebed zijn. Wie ingesteld geraakt op die vergankelijkheid, ziet de wereld, dus ook zijn medemensen in een andere belichting.

De Boeddha leert o.m. ook dat de mens niet zo maar de som is van een stoffelijk lichaam plus een onstoffelijke substantie (een onsterfelijke ziel, een eeuwig zelf, een metafysisch ego), maar dat hij, net zoals alle andere wezens een ingewikkelde assemblage is van alsmaar wisselende structuren en processen. En dat dergelijk geconditioneerd, relatief en labiel assemblage blijft functioneren zolang de ‘bestaansmotor’ kan blijven beschikken over karmische ‘brandstof’. Die karmische energie produceren wij door onze heilzame en onheilzame daden en zij is het, die de mallemolen van ons lijdensbestaan aandrijft. Bij de ‘dood’ (een levensfase net zoals alle andere) komen de potentiële bestaansenergieën uit het assemblage-verband los en vestigen ze de voorwaarden voor een nieuwe biologische, d.i. existentiële geboorte.

Dat is de bestaanscyclus, de onoverzichtelijke herhaling van geboorte en dood. Noteren we hierbij in het voorbijgaan dat het in het Boeddhisme verkeerd is te spreken van zielsverhuizing, vermits deze leer immers geen ziel kent.

top

Wijsheid En Mededogen       

Voor de Boeddhist betekent de cyclus van geboorte en dood in hoofdzaak lijden en vergankelijkheid, begoocheling en ontgoocheling. Naargelang hij bewuster wordt van deze situatie, voelt hij in zijn gemoed de stijgende verwachting uit zijn existentiële conditie los te komen.

Voor de Boeddhist is ‘zonde’ dan ook in de allereerste plaats al wat in het bewustzijn de eenheid met alle wezens blokkeert en al wat de helderheid van de geest kan benevelen. De diepere bedoeling van het leven is geen jacht naar rijkdom, aanzien, macht of individuele genietingen. Het leven is spiritueel uitgroeien naar wijsheid en liefde.

Over de betekenis en de rol van de wijsheid hebben we hiervoor al gesproken; wat de liefde betreft, dienen we goed voor ogen te houden dat het hier niet gaat om een gevoelsbetrokkenheid van persoon tot persoon. De Boeddhistische al-liefde is onpersoonlijk, of beter nog: super-persoonlijk, zonder onderscheid, zonder voorkeur. Daarom verkiest men meestal voor het actieve aspect van die al-liefde: het wat ‘stijvere’ mededogen.

Wijsheid en Mededogen worden beschouwd als twee emanaties van het absolute Boeddhaschap. In feite zijn ze één: geen wijsheid zonder mededogen, geen mededogen zonder wijsheid. En omdat mededogen dynamisch is, zoals ook het leven dynamisch is, bepaalt dit mededogen geheel de Boeddhistische levenshouding.

top

Optimisme       

De Boeddhist weet dat, zodra de wolken en nevels van begeerte, haat en niet-weten verdwenen zijn, het licht van het juiste begrijpen de ware, diepe aard van wezens en dingen zal onthullen. En die ware aard is niet anders dan het Boeddhaschap.

Het religieuze doel van de Boeddhist is bijgevolg het beleven van de ware aard der dingen. Dat is, anders gezegd, het verwezenlijken van het Boeddhaschap. De Boeddhist wil Boeddha worden.

Dat is wel een heel hoge ambitie. Het Boeddhaschap is immers de volmaaktheid van de wijsheid, de onbegrensdheid van mededogen, de onbeperkte mogelijkheid spontaan het goede te doen.

top

 

Coördinaten       

jikōji - Tempel van het Licht van Mededogen

Pretoriastraat 68
2600 Berchem-Antwerpen
www.jikoji.com
info-at-jikoji.com

 bankrekening 523-0802265-53
IBAN nummer BE53 5230 8022 6553
BIC: TRIOBEBB

© 2009, Shitoku A. Peel

Jikōji – Tempel van het Licht van Mededogen

top


          home