Korte presentatie van het shin-boeddhisme       

English version

version française

 
Inleiding: Vier Edele Waarheden
Boeddhisme: in de eerste plaats een heilsleer
Plaats van Jodo-Shinshu in de boeddhistische Leer
Wie/wat zijn de betrokken partijen?
Eigen kracht laten varen
Shinjin en Nembutsu
Hier en nu: nirvana en samsara
Heel je bestaan: een feest!
Bijzondere kenmerken van Shinrans “Ander-Kracht Nembutsu” Lering
Jodo-Shinshu In De Wereld
Extra: myokonin
Coördinaten

Inleiding: Vier Edele Waarheden       

Men mag als bekend veronderstellen dat het Boeddhisme een religieus onderricht (‘heilsleer’) is dat tijdens de 6de en 5de eeuw vóór onze tijdrekening in het noordoosten van het huidige India verkondigd werd door de historische Boeddha Gautama Siddharta, ook gekend onder de benaming Shakyamuni (“de Wijze van de Shakya-clan”).

Alle boeddhistische leringen, hoe verscheiden ze aan de buitenstaander ook mogen overkomen, zijn erfgenamen van het fundamentele onderricht van de historische Boeddha. Hun waaier wordt bepaald door de spirituele overdracht van een traditie die schriftuurlijk bewaard is in zowat 13 520 als canoniek erkende boeken. Weliswaar verschillen alle boeddhistische stromingen in de interpretatie en de evaluaties van deze geschriften. Gewoonlijk is het zo dat de ene strekking, de ene leermeester, de ene tempel een grotere nadruk legt op een of ander punt dan wel het geval is bij andere boeddhistische stromingen. Toch moet gezegd worden dat het hoofdonderscheid tussen de diverse scholen berust in de methodes welke aangeprezen worden om de Leer van de Boeddha om te zetten in het bestaan van alle dag.

In zijn Vier Edele Waarheden gaf Shakyamuni een zeer precieze beschrijving van het menselijke bestaan; daarnaast verschaft hij echter ook de expressie van een ideaal dat geldig is voor alle wezens:

1. Elke bestaansvorm is door lijden getekend. Dit ‘lijden’ dient in de ruimste betekenis verstaan te worden: niet enkel pijn, ziekte, ouderdom en dood, maar ook alle mentaal, moreel, psychisch of spiritueel lijden, alle angsten, frustraties, conflicten enz. Kortom: de istevredenheid, de onvrede met onze existentiële ervaringen.

2. De oorzaak van dit lijden ligt, via begeerte en gehechtheid in een fundamentele ‘onwetendheid’ (niet een gebrek aan geleerdheid!), nl. het ontbreken van het diepe besef dat alle dingen en wezens gekenmerkt zijn door veranderlijkheid en zelf-loosheid (oneigenheid, ego-loosheid). Deze onwetendheid verkleurt onze ervaringen en schept een beeld van de wereld gebaseerd op een illusie. Wij beschouwen immers de wereld én onszelf, als onveranderlijk middelpunt van die wereld. Wij begeren de dingen, haten anderen die o.i. die dingen wél bezitten. We hechten ons aan dat verlangen, aan die aversie. Daarin zijn we veroordeeld te mislukken, vermits zelfs ons eigen leven ons ontglipt. Wanneer die begeerde dingen ons ontsnappen, dan ervaren we ‘lijden’.

3. Wanneer we de oorzaak van het existentiële lijden kunnen situeren, kunnen we eveneens het middel vinden om aan de lijdenservaring een einde te maken. Wanneer wij erin slagen de oorzaak van het lijden weg te nemen, dan verwezenlijken wij de toestand van niet-lijden. Dit is de toestand van geestelijke volkomenheid die nirvana wordt genoemd: de uitdoving van de ik-illusie en van het lijden. Het begrip nirvana wordt ook omschreven als ‘Verlichting’, ‘Boeddhaschap’, ‘Reine Land’.­

 4. Het Edele Achtvoudige Pad is de wegwijzer, de heilsmethode die ons moet toelaten de existentiële lijdenservaring op te heffen. Het is een pad van Wijsheid, Moraliteit en Geestesconcentratie.

top

Boeddhisme: in de eerste plaats een heilsleer       

Het Boeddhisme is in de eerste plaats een heilsleer. Het bekommert zich niet om intellectuele, psychologische en parapsychologische prestaties noch om wetenschappelijke problematieken. Het is dan ook geen geneesmiddel tegen stress of psychosen, noch aspirine noch tranquillizer. Het Boeddhisme heeft geen uitstaans met enige vorm van persoonlijk welbehagen of ‘zich-fijn-voelen’. Het enige objectief is het realiseren van een direct inzicht in en de levende ervaring van de bevrijding uit het ‘lijden’. Alle overige fysische of mentale verschijnselen zijn bijzaak. En in belangrijke zaken zoals het spirituele heil, hechte men geen belang aan bijkomstigheden!

De Leer van de Boeddha leert ons hoe waarheid en volmaaktheid enkel doorheen een geestelijke evolutie van de mens zelf kunnen ervaren worden. Om daartoe te komen, volstaat het niet ‘aan iets’ te geloven of een of andere doctrine aan te kleven. Shakyamuni heeft overduidelijk aangetoond dat het hele universum, met al zijn mogelijke werelden, met al zijn dimensies en wezens van welke aard ook, één grote eenheid vormt waarvan men enkel kan stellen dat het in voortdurende verandering is en dat alle dingen en wezens relationeel met elkaar verbonden zijn. Alle afzonderlijke dingen ontstaan en vergaan, worden en ontworden, onophoudelijk, volgens een natuurlijke wetmatigheid, alles bewogen door oorzaken en omstandigheden die eigen zijn aan het bestaan zelf. En van dat veranderende universum kunnen wij, beperkte wezens, noch het begin noch het einde noch de uitgestrektheid noch de vorm bevroeden.

Shakyamuni leert dat het menselijke wezen niet de optelling is van een fysisch lichaam en van een onstoffelijke, onsterfelijke substantie (‘ziel’, ‘zelf, ‘ego’, ‘atman’…). De mens is immers, net zoals alle dingen en wezens, een composiet van steeds wisselende structuren en processen, alle onstandvastig en geconditioneerd. Dat agglomeraat zal blijven ‘branden’ zolang er ‘brandstof’ toegevoerd wordt.

De Boeddha leert ons dat bij wat wij de ‘dood van een mens’ noemen, de vitale energieën vrijkomen door de ontbinding van de lichamelijkheid, van de wil en van het bewustzijn. Deze vrijgekomen energieën produceren de voorwaarden voor een nieuwe biologische geboorte. Uit de dood komt het leven. Dat is de kringloop van het bestaan, het levensrad, de wereld van lijden, dood en geboorte.

Hierbij moet men wel bedenken dat het foutief is in het Boeddhisme te spreken van ‘zielsverhuizing’ of ‘reïncarnatie’, vermits het bestaan van een ziel die zou ‘verhuizen’ of ‘reïncarneren’ principieel wordt ontkend.

Dit leven van lijden, dood en geboorte maakt, boeddhistisch gezien, onze existentie van veranderlijkheid, illusie en ontgoocheling uit. Hoe meer men doordrongen raakt van de feitelijkheid van deze toestand, des te sterker voelt men de aandrang zich hieruit te bevrijden.

Het begrip ‘zonde’ betekent in boeddhistische context niet het overtreden van een goddelijk gebod of verbod: er wordt immers geen God-Schepper of God-Rechter, maatstaf van ‘goed en kwaad’ erkend. ‘Zonde’ is elke daad, elk woord, maar in de eerste plaats elke gedachte en elk gevoel dat voortspruit uit haat, uit begeerte en uit de ik-illusie. ‘Zonde’ is datgene wat het ervaren van eenheid met alle wezens in de weg staat en de helderheid van geest benevelt.

Ofschoon termen als ‘zonde’ of ‘goed en kwaad’ eigenlijk niet thuishoren in dergelijke optiek, wordt er toch groot belang gehecht aan de intentie alle onheilzame handelingen, woorden en gedachten te vermijden en het heilzame te doen. Dit is niet gebaseerd op de angst voor een straf noch op een verlangen naar beloning, maar op de diepe overtuiging van de noodzaak van een natuurlijke, spontane en grenzeloze harmonie met alle wezens.

De ware zin van het leven ligt voor een boeddhist niet in jacht naar rijkdom, welbehagen, eerbetuigingen, macht of andere individuele genietingen. De zin die hij aan zijn leven wil geven is het spirituele uitgroeien naar wijsheid en ego-loze liefde. Hij weet dat het Licht van het juiste begrijpen zijn lijdenswereld kan overstralen, wanneer de zwarte wolken van haat en begeerte en de kleverige nevels van onwetendheid en begoocheling uit zijn gemoed zullen geweken zijn.

In dit Licht ervaart hij de ware natuur van alle wezens. En deze ware natuur is niets anders dan het Boeddhaschap. Voor de boeddhist is daarom het doel van het bestaan gewoonweg Boeddha-worden. De Boeddha is immers geen ‘god’ zoals wel eens gedacht wordt, maar de belichaming van het Volkomen Verlichte Wezen: Wijsheid en Mededogen. Hij is de ‘wezenheid’ van volkomen harmonie en, vanuit de menselijke optiek, het ideaal van het Mens zijn.

Het Boeddhaschap drukt de diepe aard van de Verlichting en van het Nirvana uit. De Geboorte in het Reine Land symboliseert de geestelijke gerichtheid van de mens naar de verwezenlijking van de Uiteindelijke Verlichting. Daarom is het Boeddhaschap de volmaaktheid van wijsheid, de onbegrensdheid van het mededogen en de oneindige kracht het heilzame te doen.

Aldus kan het Boeddhisme dan ook geen pessimistische levenshouding zijn. Het is daarentegen een integraal optimisme overheen deze wereld en het lijden dat deze wereld tekent. Aangezien het Boeddhaschap de diepe basis van al het bestaande is, is het zaad van de verlichting dan ook in alle wezens aanwezig.

Dit zaad wacht enkel op het moment van kiemen en ontwaken.

top

Plaats van Jodo-Shinshu in de boeddhistische Leer       

‘Shin-boeddhisme’ is de aanduiding die D. T. Suzuki, de wereldvermaarde auteur - bij ons voornamelijk bekend om zijn boeken over Zen - uitgedacht heeft als equivalent voor Jodo-Shinshu, letterlijk ‘de Ware Leer van het Reine Land’.

Korte tijd na het heengaan van de historische Boeddha Gautama Shakyamuni, verdeelden zijn volgelingen zich in verschillende stromingen. In hoofdtrekken kan men stellen dat het originele Boeddhisme zich geleidelijk aan opsplitste in twee hoofdrichtingen: enerzijds het ‘Kleine Voertuig’ waarin de nadruk wordt gelegd op de individuele bevrijding en waarvan tegenwoordig nog één school bestaat, de Theravada (nu nog actief in Sri Lanka, Birma, Thailand, Laos en Cambodja); en anderzijds het ‘Grote Voertuig’ of Mahayana, waarin de nadruk gelegd wordt op de bevrijding als collectief gebeuren.

Het is in deze Mahayana-richting dat, waarschijnlijk in de 2de eeuw vóór onze tijdrekening in Midden-India, en wel hoofdzakelijk in lekenmiddens, de Reine-Landstroming ontstond. In de 2de eeuw is ze al in China, waar ze geleidelijk uitgroeit tot een zelfstandige school (Ching-t’u) binnenin het algemene Boeddhisme. Talrijke ‘patriarchen’ en meesters zullen ze verder systematiseren en organiseren. In de 6de eeuw komt het Reine-Landboeddhisme vanuit China via Korea naar Japan. Als afzonderlijke denkrichting binnen het Reine-Landboeddhisme ontstaat daar in de 13de eeuw de Jodo-Shinshu. De stichter ervan is Shinran Shonin (1173-1262). Hij fundeert zijn conclusies op het geheel van de boeddhistische traditie.

Daarom situeert het Shinboeddhisme zich integraal binnen het geheel van leringen en tradities die teruggaan tot op Boeddha Gautama. Het is zelfs niet overdreven te bevestigen dat de Jodo-Shinshu in feite de verst doorgedreven vorm van het Mahayana is, zijn logische en uiterste gevolgtrekking.

Ofschoon de Jodo-Shinshu, net zoals alle grote Japanse stromingen als Zen en Nichiren, slechts uit de 13de eeuw dateert, vindt men erin alle bevindingen en verworvenheden op religieus en filosofisch vlak, eigen aan de algemeen aanvaarde canonieke teksten. Deze essentiële basis werd tot Shinran overgedragen door de leringen van zeven ‘meesters’ (koso) uit India (Nagarjuna en Vasubandhu), uit China (T’an-luan, Tao-ch’o en Shan-tao) en uit Japan (Genshin en Honen). Wat echter niet belet dat het Shinboeddhisme zeer originele trekken vertoont.

Het Shinboeddhisme erkent het grote belang en de hoge waarde van alle leringen die teruggaan tot de historische Boeddha, maar beklemtoont hierin enkele zeer bijzondere aspecten.

Inderdaad, Shinran meende dat de leefregels en de voorschriften bestemd voor de monniken en de kloostergemeenschap noch doeltreffend noch toepasselijk kunnen zijn op ‘gewone lui’. Het Shinboeddhisme richt zich dan ook in de eerste plaats tot die mensen die het leven van alledag ten volle willen leven. De overgrote meerderheid van de mensen bestaat niet uit wijzen en heiligen! De gewone mens kan de zware en intensieve meditaties en ascetische praktijken gewoon niet aan, zeker niet in ons tijdperk; hij slaagt er niet in de Verlichting te verwezenlijken en blijft aldus veroordeeld tot de lijdenswereld.

De ‘priesters’ van de Jodo-Shinshu zijn daarom geen monniken, noch priesters in de sacramentele betekenis van het woord, maar slechts voorgangers, gidsen, wegwijzers.

Het Shinboeddhisme benadrukt dan ook de mogelijkheid voor ‘gewone lui’ in de loop van dit bestaan de zekerheid te verwerven toch het Volkomen Nirvana te verwezenlijken. Niet door eigen verdiensten, maar door overgave aan de natuurlijke werkzaamheid van de Gelofte-Kracht van Amida Boeddha, de Boeddha Oneindigheid van Licht en Leven.

top

Wie/wat zijn de betrokken partijen?       

Maar wie of wat zijn die ‘gewone lui’?

Dat zijn de zwakkelingen, de zondaars, de dwazen, de lankmoedigen, de lafaards, dat zijn al diegenen die - ondanks het diepe besef van hun onwaardige toestand - er niet in slagen zich te verheffen tot de subtiele en sublieme hoogtes van de meditatie en er evenmin in slagen veeleisende morele of lange rituele praktijken te volbrengen, noch zelfs erin slagen ‘gewoon goed’ te zijn. Deze ‘gewone lui’, dat zijn, op enkele uitzonderingen na, het gros van de mensheid. Dat zijn wij.

De enige en fundamentele oorzaak van Geboorte in het Reine Land is dus noch rituele praktijk noch meditatieve ervaring noch moraliteit, maar dat is het ogenblik van totale en oprechte overgave aan Amida Boeddha’s heilswerking, het moment waarop diep en vreugdig vertrouwen (shinjin) oprijst.

Men kan zich dan de vraag stellen: Amida Boeddha, wie of wat is dat?

Het is moeilijk een bondig antwoord op deze vraag te geven zonder een geheel van de boeddhistische leringen erbij te halen, zoals die neergeschreven staat in de grote Sutra’s (Leerredenen) van het Mahayana en in de talloze commentaren die in de loop van meer dan twintig eeuwen hieraan gewijd werden.

Maar men dient er in de eerste plaats rekening mee te houden dat Amida geen ‘God’ is, die straft en beloont, die genade schenkt of beproevingen oplegt, noch zelfs een godheid aan wie men iets kan vragen of van wie men iets kan afsmeken.

Historisch is wel van belang dat hem in India twee namen toegekend werden: Amitabha, het Mateloze Licht, en Amitayus, het Mateloze Leven. Licht en Leven staan hier o.m. voor Wijsheid en Mededogen, welke dan in hun oneindigheid gezien worden. Het is daarom niet verkeerd Amida, als samenvatting van Amitabha en Amitayus, te beschrijven als het Oneindige Boeddhaschap dat zich, in ons begripsvermogen, uitdrukt als Licht = Wijsheid en Leven = Mededogen.

Zo zou men bijvoorbeeld ook kunnen zeggen dat Amida Boeddha de ware natuur van het Absolute vertegenwoordigt: vormloos, ondenkbaar, onverwoordbaar, geenzijds van alle betrekkelijkheden en alle discriminaties, een Absolute maar dan wel van mededogen en energie. Amida Boeddha is onvoorstelbaar.

De mens heeft echter voorstellingen nodig. De ideale voorstelling die nog toegankelijk is voor het menselijke denken en voelen, dat is het antropomorfe beeld van de Boeddha, het Boeddhaschap tot ‘beeld’ geworden zoals we het zien in standbeelden, reliëfs, schilderijen of kalligrafieën.

Bovendien heeft het Boeddhaschap ook een historische belichaming: Shakyamuni, die aan de mensen de weg naar het Leedloze onderwezen heeft.

En dat ‘Reine Land’?

Men moet er zeker niet naar zoeken als naar een of ander ‘hemels rijk’ dat ergens geografisch of astronomisch kan gelokaliseerd worden. Zoals hiervoor al gezegd, is het Reine Land niets anders dan het (voor alle wezens) uiteindelijke nirvana. In tegenstelling tot de meeste boeddhistische scholen die het nirvana hoofdzakelijk op negatieve wijze benaderen (de via negativa), geeft de Reine-Landstroming er een duidelijk positief beeld van.

Het ‘Reine Land’ is dus geen denkbeeldig paradijs, zoals een primaire lectuur van de beschrijvingen ervan zou kunnen doen vermoeden. Men kan het Reine Land het best projecteren als een spiritueel krachtveld. In dit krachtveld is de bron van de heilswerkzaamheid Amida Boeddha. Amida staat voor Oneindig Boeddhaschap, d.i. alle eigenschappen van alle Boeddha’s. De ‘Gelofte-Kracht’ van Wijsheid-Mededogen is gericht op de ‘Geboorte’ van alle wezens in het Reine Land: de verwezenlijking van de Verlichting.

top

Eigen kracht laten varen       

Wat moet de volgeling dan doen om deze ‘Geboorte’ - die geen geboorte is - te verwezenlijken?

Wel: niets.

Onder invloed van het charisma van Shakyamuni was het velen mogelijk de Verlichting te verwezenlijken, maar hoe groter de afstand in de tijd tot Gautama Boeddha werd, des te moeilijker dit objectief te bereiken viel. De uitstraling van de historische Boeddha verzwakte langzaamaan en de volgelingen stonden voor de steeds toenemende moeilijkheid het pad tot Verlichting te bewandelen. Men kan aldus spreken van een ‘tijdperk van de verworden Leer’, waarin de mens het Reine Land niet meer op eigen kracht kan realiseren, tenzij hij een heilige zou zijn…

Wat de mens tot Geboorte in het Reine Land brengt is dus niet zijn eigen inspanning en zijn morele, rituele en meditatieve praktijken, maar enkel de Gelofte-Kracht van de Oneindige Boeddha. Deze Gelofte-Kracht kan men zien als een natuurlijke al-liefde, welke de volgeling meevoert naar het nirvana, net zoals de zwaartekracht de mens naar het middelpunt van de aarde trekt zoals het water van de rivieren onvermijdelijk naar de zee wordt teruggevoerd.

Het is dus niet door de mens zelf, maar door de heilskracht van het Boeddhaschap dat het hele bevrijdingsproces voltrokken wordt.

Dit wordt begrijpelijk wanneer men beseft dat Amida’s al-liefde a.h.w. bij bepaling oneindig, onbeperkt, ongehinderd en mateloos is en bijgevolg niet afhankelijk kan zijn van ‘s mensen doen en laten. Hoe zou het ‘goed-en-kwaad’ van de mens hierbij kunnen afgewogen worden?

De eigen wil van de mens is, net zoals zijn hele leven, geconditioneerd door zijn eigen onbestendigheid. Hij is gecentreerd op een illusoir ‘ik’ en geeft aan dat ‘ik’ een vermogen dat uiteraard even illusoir is. Uit deze ik-gerichtheid put de mens zijn visies en zijn berekeningen. Deze individuele berekeningen ervaart hij als een egoscherm dat hem het Licht van Wijsheid/Mededogen verduistert.

De mens ziet het Licht niet omdat hij het liever niet wil zien. Hij vindt immers zijn eigen visies en zijn eigen plannen belangrijker dan de kosmische werkzaamheid van Boeddha’s Mededogen.

De mens zou zijn ware plaats in de lijdenswereld dienen te beseffen. Hij zou dan al zijn bemoeiingen en illusies op geestelijk niveau laten varen, afstand nemen van zijn ego-denken en zichzelf niet meer beschouwen als middelpunt en maatstaf van het heelal. In dit ‘loslaten’ geeft hij de eigen berekeningen en zorgen op, verlaat hij elk dualistisch en gespleten denken.

De grote verwezenlijking wordt dus niet ervaren als het eindresultaat van de eigen wil of de eigen streefkracht, maar als het gevolg van de in tijd en ruimte oneindige werkzaamheid van Amida’s Gelofte-Kracht alle wezens uit hun lijdenswereld te verlossen.

Het gaat hier dus veel meer over een laten varen van alle ego-inzichten dan wel over een ‘geloof’.

top

Shinjin en Nembutsu       

Dit ‘laten varen’ of ‘loslaten’ wordt in het Chinees/Japans uitgedrukt met het woord shinjin dat letterlijk ‘vertrouwen-gemoed’ betekent, maar als religieus begrip zo goed als onvertaalbaar is.

Het is wél een innerlijke instelling van volkomen vertrouwen op het Grote Mededogen. Het is geen blind geloven noch een intellectuele of emotionele attitude, maar het deelachtig worden aan Amida’s werkzaamheid. Het eigen gemoed wordt door deze werkzaamheid eerst geledigd (de kenôsis uit Paulus’ Phil. 2:7?), daarna met Amida’s Gemoed ingevuld. Deze shinjin-ervaring wordt door Saiichi Myokonin als volgt omschreven:

Niet ik word de Boeddha,
de Boeddha wordt mij…

Dit moet gezien worden als een metamorfose van het gemoed: het ik-gemoed wordt getransformeerd in Amida-Gemoed. Shinjin is het beslissende - zij het ook unieke - moment waarin het ‘ik’ zich overgeeft.

Shinran, die de eigen Jodo-Shinshu vorm aan het Reine-Landboeddhisme gaf, verschilt uiteraard van de gangbare, uit China overgeleverde tradities, o.a. door nadruk te leggen op het hier-en-nu van shinjin. Shinjin is geen buitenwereldse of hiernamaalse ervaring, maar wordt, daar waar de mogelijkheid zich voordoet, verwekt door de Gelofte-Kracht in het leven van alledag. Het is deze hier-en-nu-heid die zo kenmerkend is voor de Jodo-Shinshu.

Shinjin, deze oprechte, diepe en vreugdige overgave van de eigen heilsberekeningen aan de vloedgolf van Amida’s Mededogen, is het beslissende en definitieve ontwaken waardoor wij plots en soms brutaal oog in oog gesteld worden met de nauwe wederzijdse banden waarmee we aan alle wezens en dingen gebonden zijn.

Samen met dit nieuwe bewustzijn dat we een eindeloze eenheid vormen, ontwaakt in ons gemoed ook een groot gevoel van nederigheid. Doordat we ons rekenschap geven van de ware positie die we in de wereld innemen en doordat we nu beseffen hoe vergeefs en illusoir ons geestelijk spartelen wel was, groeit in ons mateloze dankbaarheid en eerbied, niet enkel ten opzichte van Amida Boeddha en al wat hij vertegenwoordigt, maar ook ten opzichte van alle wezens die we nu niet meer kunnen ervaren als afgescheiden van het Boeddhaschap.

Het zijn deze gevoelens van nederigheid en dankbaarheid die dan de dominanten van ons dagelijks leven worden.

Het is deze spirituele complexiteit van eenheid, mede-aansprakelijkheid en dankbaarheid welke de Shinboeddhisten uitdrukken in de verwoording van de Naam van de Oneindige Boeddha:

Namu Amida Butsu

Deze verwoording is dus geen magische of meditatieve formule (geen ‘mantra’ of ‘dharani’…) zoals sommigen wel eens geneigd zijn te denken en zoals er wél bestaan in sommige andere vormen van boeddhistische praktijk.

Het uitspreken van de Naam (Nembutsu) is de dubbele uitdrukking van

1.         het wegwissen van de ik-illusie tegenover het absolute van de grenzeloze Wijsheid en de voorwaardeloosheid van Amida’s Mededogen,

2.         het spontaan gevoel van dankbaarheid tegenover de Boeddha en de gehele wereld, zelfs wanneer we die wereld nog als lijdenswereld ervaren.

In de Naam wordt de eenheid van wezens en Verlichting, van subject en object, van lijdenswereld en Reine Land, van illusie en waarheid uitgedrukt.

In de Naam komt elk oppositioneel, dualistisch, discriminerend denken tot stilstand.

Shinjin en Nembutsu zijn van elkaar onafscheidelijk. Daarom is het reciteren van de Naam geen echte ‘praktijk’ voor de volgeling. Om het duidelijk te stellen: in het Shin-Boeddhisme bestaat er geen echte religieuze praktijk. De Shinboeddhist gelooft niet meer in geestelijke oefeningen van welke aard ook met de bedoeling het nirvana te verwezenlijken. Zie hierover Tannisho viii: “De Nembutsu is, voor de beoefenaar ervan, niet-praktijk en niet-goed. Vermits hij niet vanuit eigen berekening beoefend wordt, wordt hij ‘niet-praktijk’ genoemd, vermits hij geen vanuit eigen berekening verrichte goede daad is, word hij ‘niet-goed’ genoemd, vermits hij totaal Ander-Kracht is en afgescheiden van zelfkracht, is hij voor de beoefenaar niet-praktijk en niet-goed.”

Het enige ‘goede werk’ waarin hij zich kan vervolmaken, is een uitsluitend intern werk: zich zoveel mogelijk losmaken uit al wat hem belet deel te nemen aan de werkzaamheid van het Boeddhaschap.

Voor de menselijke wezens die we zijn, wordt deze onverwoordbare activiteit ervaren als Shinjin en uitgedrukt als Nembutsu.

Shinjin is trouwens een uiterst moeilijk te realiseren gemoeds-instelling doordat voorafgaandelijk alle illusies die men geschapen heeft en waaraan men gehecht is, dienen weggeruimd te zijn.

Daartegenover staat dat het verklanken van de Naam eigenlijk een eenvoudige, gemakkelijke handeling is. De formule is gemakkelijk te onthouden en vlot uit te spreken. Vermits enkel de inhoud en niet de uiterlijke vorm van belang is, kan men de Naam uitspreken zoals hij het best in de mond ligt. Hierdoor komt het dat men vaak spreekt van een ‘gemakkelijke weg’ voor iedereen toegankelijk, in tegenstelling tot de ‘moeilijke praktijken’ van de meeste andere boeddhistische stromingen, welke gebaseerd zijn op de eigen kracht.

Het is in de Nembutsu dat de Shinboeddhist met oprechtheid zijn vertrouwen in de Boeddha Oneindig Licht uitspreekt, vermits het in deze vorm is dat het kosmische Boeddhaschap zich het duidelijkst manifesteert voor de beperkte wezens die we zijn. Over alle illusies heen straalt dit Licht van Wijsheid-en-Mededogen voor alle wezens, ongeacht of ze wijs of dwaas, geleerd of onwetend, goed of slecht, wit of zwart, mannelijk of vrouwelijk, arm of rijk zijn.

Wanneer de volgeling er dan toe komt, in de loop van zijn existeren in deze lijdenswereld, zich bewust te zijn van dit Hinderloze Licht en dit te stellen tegenover het duister dat in zijn eigen gemoed heerst, met zijn vreesaanjagende kwade verlangens, met zijn zwakke wil, zijn uitgesproken of verborgen passies, zijn grijpzucht en zijn verdwazing.

Zelfs de zogenaamde ‘goede’ daden ontkomen niet aan de greep van het ik-denken. Zelfs het verlangen naar nirvana is uiteindelijk een uitdrukking van ons egoïsme. Wij zijn in de onmogelijkheid onszelf niet meer te zien als betrokken partij. Wij zijn in de onmogelijkheid geen uitgesproken voorkeur te hebben voor hetgeen wij aanzien als ons eigen en dus gerechtvaardigd belang.

Daartegenover kan de Shinboeddhist zijn toevlucht zoeken in de kracht van de onpersoonlijke en niet-selectieve liefde, een al-liefde die alles omvat en niets loslaat, die ons bevrijdt uit het gevoel van vergankelijkheid en ons spontaan tot de Geboorte in het Reine Land leidt. Hij kan zich met geheel zijn wezen toevertrouwen aan de grenzeloze geestelijke energie die Amida Boeddha is. Om de weg te openen die leidt tot dit spirituele bereik, moet hij zich ontdoen van zijn individuele bedoelingen en plannen, maar ook van de dwang van alle ‘goede werken’ zoals zedelijkheid, meditatie, ritueel: ze zijn alle immers handelingen gebaseerd op een ‘ik-kracht’ die uiteindelijk eveneens slechts een illusie zal blijken te zijn.

De uiteindelijke Verlichting verwezenlijken, ligt hierin dat men zich geheel en uitsluitend overgeeft aan de ‘ Ander-Kracht’, waarbij het ‘andere’ Amida Boeddha is. Deze Ander-Kracht is totaal belangloos en onpersoonlijk. Ze is werkzaam in ons en in alle wezens, vermits wij én alle wezens de Boeddha-natuur deelachtig zijn. Wordt men door shinjin bewust van deze aanwezigheid van de Ander-Kracht, dan doortintelt spirituele vreugde elke gedachte en elke daad.

Daarom wordt de Nembutsu niet gereciteerd als een gebed, om iets te verkrijgen. Namu Amida Butsu uitspreken is een daad van pure dankbaarheid. De Nembutsu is een kreet van vreugde die uit het diepst van ons mens-zijn opwelt, die in het Boeddhaschap zijn bron heeft en die in de lijdenswereld de roep van de Boeddha is. Vandaar het belang dat de Jodo-Shinshu hecht aan het in zich Horen van de Naam, meer dan aan het reciteren ervan.

Zo komt de mens er dan toe alle dingen in deze lijdenswereld te beschouwen met een diep gevoel van eerbied en dankbaarheid. In het leed, in de ellende, in de wanhoop en de angst, welke het deel van alle wezens zijn, maar ook in momenten van succes, van glorie, van genot, zal hij proberen zich bewust te zijn van de alomtegenwoordigheid van het onnoembare Licht van Wijsheid/Mededogen dat alle wezens omhult: vanaf de kleinste quark tot de grootste galaxie, van de geringste zandkorrel tot het sterrenrijk, de rotsen; de oceanen, de planten, de dieren, de mensen, welke redelijke of onredelijke wezens er ook mogen bestaan; en binnen de mensheid zelf, alle mensen: de zwakken, de helden, de heiligen, de zondaars…

Zodra Amida’s Licht ons de vergezichten geopend heeft op onze menselijke natuur, ontdekken we dat we ons bevinden in een chaos van woelende passies, van egoïsmen die we verkleden in goede bedoelingen. We zien dan hoe we verstrikt geraakt zijn in een egodoolhof op zoek naar gezondheid en eeuwige jeugd, naar roem, macht en rijkdom, op zoek vooral naar een steeds hernieuwde verblinding.

Waren we uitsluitend op onszelf toegewezen, dan zou de ontdekking van onze fundamentele verdwazing ons in de afgrond van de wanhoop storten. Maar we zijn niet aan onszelf overgelaten, vermits in ons Boeddha’s heilskracht werkzaam is.

top

Hier en nu: nirvana en samsara       

Dit is zeker één van de grote lichtpunten die de Jodo-Shinshu ons, nu al in dit bestaan, het hier-en-nu, bijbrengt. Maar er is meer: er is ook dàt wat ons bestaan overtreft en heenreikt naar het bestaan van alle wezens.

Want ook het begrip nirvana, de Verlichting, het Reine Land krijgt in de Jodo-Shinshu een perspectief dat - in zekere zin - afwijkt van de meer conventionele opvattingen over het ‘hiernamaals’.

Al te vaak immers menen buitenstaanders dat dit boeddhistische nirvana een ‘stilstand’ betekent, een statische, ja inerte wezenstoestand, een totale ‘afwezigheid’ of zelfs ‘niets-heid’. Dergelijke conceptie is in flagrante contradictie met de algemeen boeddhistische visie op het nirvana, als zijnde het ‘leedloze’, het ‘rijk van vrede en geluk’, het ‘onveranderlijke’, het ‘niet-ik’; d.i. de Absolute (niet relativistische) Realiteit, de Verlichting, Wijsheid/Mededogen, d.i. het Reine Land van het Oneindige Boeddhaschap.

De Jodo-Shinshu ligt geheel binnen deze boeddhistische visie op de verlichting, zij het dan ook met een eigen kleuring wat betreft de relatie dood-Geboorte-Verlichting. Het Reine Land wordt helemaal niet gezien als een paradijselijke toestand van welbehagen en hemelse zaligheid. De Geboorte in het Reine Land is niet de aanvang van een nieuwe al-vreugdige persoonlijke existentie.

Volgens de Mahayana-filosoof Nagarjuna, is er in laatste instantie (d.i. voor de ‘verlichte’) geen essentieel onderscheid tussen de lijdenswereld (samsara) en de wereld van de Verlichting (nirvana). Beide zijn co-existerend en simultaan, niet van elkaar te scheiden of af te grenzen. Het is vanuit de menselijke geest dat wij een verschil tussen nirvana en de lijdenswereld projecteren: het overstijgen van dit verschil kan beschouwd worden als het ‘verwezenlijken van nirvana’.

De Geboorte in het Reine Land, d.i. de uiteindelijke Verlichting, wordt dan een terugkeer naar de lijdenswereld, maar dan niet meer als een ik-denkend lijdend wezen, maar als een element van de Wijsheid/Mededogen van het Boeddhaschap, als participatie aan de Ander-Kracht die alle wezens tot de Verlichting voert.

De persoon die door shinjin de verzekering en de vestiging van de Geboorte bekomen heeft, wordt op het ogenblik van zijn fysische dood (preciezer uitgedrukt: op het moment van het ‘uiteenvallen van de Vijf Aggregaten’, de pañca-skandha van het traditionele Boeddhisme) geboren tot Verlichting, d.w.z. dat hij deelachtig wordt aan Amida’s natuurlijk-wetmatige heilsactiviteit.

De vraag welke vorm deze deelneming aanneemt, is in feite irrelevant. Het is immers een vraag die uitgaat van ons ik-denken en ze kan daardoor geen geldig antwoord krijgen. Amida’s heilsactiviteit is indifferent in alle wezens werkzaam en kan om het even welke vorm ook aannemen. In de Ander-Kracht kan, a.h.w. bij bepaling, geen ik-illusie aanwezig zijn.

Met andere woorden: wat het lijdende wezen was, wordt door de Geboorte in het Reine Land opgenomen in de complete heilswerking van het Oneindige Boeddhaschap.

top

Heel je bestaan: een feest!       

 

Vandaar dat het mogelijk is te zeggen dat het Shinboeddhisme een leer is van heil voor alle wezens dóór alle wezens. Hierin openbaart zich in het universele Licht van Wijsheid/Mededogen de spirituele, fundamentele solidariteit waardoor alle wezens in ruimte en tijd aan elkaar verbonden zijn: een solidariteit waarin echter elke gedachte aan een ‘ik’ of aan een ‘niet-ik’ getranscendeerd is.

Daarom kan de (Shin)boeddhist eigenlijk van geheel zijn bestaan één feest maken. Hijzelf zou een schitterend voorbeeld van nederigheid en dankbaarheid, van zaligheid en solidariteit, van helderheid en gemoedsrust moeten zijn! Het is maar al te gemakkelijk vergeten dat hij een mens is en blijft. Door zijn mens-zijn weerstaat hij niet aan de bekoringen van verdriet en genot, van boosheid en (zelf)bedrog. Zijn hart wordt niet onophoudelijk gedragen door subtiel geluk; voortdurend schommelt hij tussen het besef van de religieuze onwaardigheid van zijn existeren en de al te zeldzame ogenblikken waarin hij zich kan openen voor de verblindende glans van het Oneindige Licht (Amitabha).

De oppervlakkig bekeken wat magere praktijk van de Nembutsu krijgt aldus een grote dimensie in het dagelijkse leven. Het is immers doorheen deze Nembutsu dat de Shinboeddhist tracht naar het weder-beluisteren, uitdiepen en beleven van de Leer van de Boeddha.

Hij zal zich daarbij inspannen zijn leven te richten naar het voorbeeld van de ‘Meesters’: Boeddha Shakyamuni, de Zeven Patriarchen, Shinran Shonin, maar ook de vele anderen, boeddhisten of christenen of moslims, joden of Chinezen of noem maar op, bekenden en/of onbekenden, de tallozen die hun leven in dienst gesteld hebben van het geestelijk welzijn van de wezens.

De bedoeling is een leven van welwillendheid en begrip en solidariteit met alle wezens uit te bouwen, - en dat zonder te vervallen in de valstrikken van gemoraliseer, gevoelerigheid, eigendunk, fanatisme of opdringerigheid. Hij probeert zijn dagelijkse en maatschappelijke plichten te vervullen met dezelfde oprechtheid en dezelfde eenvoud en dezelfde eerbied die hij in zijn religieus beleven aan de dag legt.

In geen enkele situatie moet men zich laten leiden door de gedachte aan straf of beloning. Het bestaan wordt beheerst door de idee van dankbaarheid voor Boeddha’s Licht en het diepe besef van verbondenheid met alle wezens. De eigen ‘verdiensten’ verzinken in het niet naast de Wijsheid en het Mededogen van Amida, en enkel Shinjin leidt tot de Geboorte in het Reine Land. De eenvoudige woorden van de Naam Namu Amida Butsu zijn een weerspiegeling van de Gelofte-Kracht die altijd en overal aanwezig is.

De onvoorwaardelijke overgave aan de Boeddha Mateloos Licht en Eindeloos Leven, het vreugdige vertrouwen in de Nembutsu waarin de heilswerking van het Boeddhaschap en onze dankbaarheid daarvoor in elkaar overvloeien, dat is voor ons, de gewone dagdage-lijkse mensen, het enige pad dat ons naar de Verlichting kan voeren.

Het heel eenvoudig lispelen van de Nembutsu, waarin het Boeddha-s­chap doorheen onze mond spreekt, dat is het enige noodlicht dat ons hier-en-nu de uitgang uit onze lijdenservaring wijst.

Dat is de boodschap van vreugde die Shinran Shonin ons in de Jodo-Shinshu geschonken heeft.

top

Bijzondere kenmerken van Shinrans “Ander-Kracht Nembutsu” Lering       

 

Voor Shinran Shonin (1173-1262) is de lering van de Ander-Kracht Nembutsu (Tariki Nembutsu) de consequente uitloper van het onderricht van de historische Boeddha Gautama, van de diverse Mahayana-leraars en in het bijzonder van de Zeven Patriarchen van de Reine-Landschool, waarbij hij de Indische filosofen Nagarjuna en Vasubandhu rekent.

Tot de kern van Shinrans interpretatie kunnen volgende punten gerekend worden:

• Het Reine Land (Sanskriet Sukhāvatī, Chinees Ching-t’u, Japans Jōdo) is identiek aan Nirvāna (Verlichting). Het is voor hem geen doorgangsfase (zoals in de conventionele Reine-Landtraditie), maar is niet verschillend van de Uiteindelijke Volkomen Verlichting. Ook is het Reine Land niet langer een ‘Paradijs in het Westen’, maar wordt het als een “abstraktes Gebiet” (uitdrukking ontleend aan Tatsuo Oguro, Der Rettungsgedanke bei Shinran und Luther, Hildesheim 1985) aangezien. Amida (Amita-ābha/Amita-āyus) is geen boeddha, god of vorst die in dit ‘land’ heerst; hij heeft geen gedaante en is geen persoon, vermits hij het oneindige (a-mita) ‘Boeddhalichaam van de Leer’ dharmakāya is.

• De ‘Ander-Kracht’ is de dynamiek van het Boeddhaschap, de Oneindige Verlichting, uitgedrukt in de 18de Gelofte van het Grote Reine-Landsutra, basistekst van de Jodo-Shinshu: alle wezens zonder onderscheid uit hun lijdensbestaan te bevrijden door Geboorte in het Reine Land. Gezien vanuit het perspectief van de lijdende wezens, is Ander-Kracht het volkomen stilvallen van alle eigen heilsberekeningen.

• De Geboorte in het Reine Land is bijgevolg niet verschillend van de verwezenlijking van de uiteindelijke en definitieve Verlichting, de vervulling van het Boeddhalichaam in zijn wezenheid (Skr. dharmatā-dharmakāya, J. hosshō-hosshin), de ware zelfnatuur (zo-heid) der dingen (Skr. bhūta-tathatā, J. shinnyo), welke niet-zelfheid (Skr. nairātmya, Pali anattā, J. muga), leegheid (Skr. śūnyatā, J. kū), natuurlijkheid (Skr. svabhāva, J. jinen) is.

• Gezien de zwakheden en de hindernissen in het menselijke gemoed in deze periode van het Verworden van de Leer, wordt de Geboorte in het Reine Land nog enkel verwezenlijkt door de werkzaamheid van de Ander-Kracht: de kracht noodzakelijk inherent aan het onmeetbare, oneindige Boeddha-mededogen en de onmeetbare, oneindige Boeddha-wijsheid, welke wij ongescheiden ervaren als de ‘verdienste-overdracht bij het heengaan [naar het Reine Land]’ (J. ōsō-ekō).

• Deze Geboorte is een spirituele gebeurtenis, geen biologisch verschijnsel. Ze is bijgevolg (paradoxaal genoeg…) een niet-wedergeboorte. De feitelijkheid ervan heeft plaats op het moment van de fysische dood (waarbij, voor de mens van shinjin, de karmische werking uitgeput is), maar ze wordt nog in dit bestaan gevestigd als shinjin, het ‘Gemoed van Vertrouwen’. De verwezenlijking van deze a.h.w. mystieke toestand drukt zich uit in de nembutsu Namu Amida Butsu, die geen ‘mantra’ is maar de ‘kreet’ in het binnenste van de wezens opgeroepen door Amida’s Ander-Kracht (de al-aanwezigheid van de Verlichting) als zijnde de fysische, vocale expressie van hun ‘ware en werkelijke’ wezenheid.

• De absoluutheid van Amida’s Ander-Kracht als dharmakāya manifesteert zich in de lijdenswereld als Absoluut Mededogen (Skr. mahā-maitrī-karunā, J. dai-jihi) in de Naam (myōgō) Namu Amida Butsu waarin de niet-tweeheid van lijdenswereld en Boeddhaschap

vervat ligt. De Naam verbaliseert zich in de nembutsu. De nembutsu uitspreken, in het bijzonder na het horen van de myōgō, is geen aanroeping, geen meditatieformule, geen ‘goed werk’ waardoor de mens kan bevrijd worden, maar een dankbetuiging voor het door de Oneindige Boeddha van Licht en Leven geboden heil.

• Shinjin is bijgevolg de natuurlijke werkzaamheid van Amida’s maitrī-karunā (Amida’s Voortijdelijke Gelofte: J. hongan-riki) in de diepte van het menselijke gemoed. Het is de vestiging van de Geboorte nog in dit bestaan: door shinjin wordt de mens a.h.w. opnieuw geboren, maar wel met behoud van zijn begeertes, aversies en dwaasheden (J. bonnō), maar zonder karmische implicaties. Shinjin is, in dit bestaan, de afspiegeling in het samsarische van het Reine Land.

• Alle Boeddha’s en Bodhisattva’s - in feite alle wezens! - zijn vervat in Amida, het Oneindige Boeddhaschap. Bijgevolg zijn ook alle meditatieve en niet-meditatieve praktijken vervat in Amida’s Grote Praktijk van Mededogen/Wijsheid.

• Vermits het Oneindige Boeddhaschap deze Grote Praktijk verricht buiten elke tijdruimtelijke dimensie, zijn de menselijke morele, meditatieve, ascetische, rituele praktijken hoogstens slechts bijkomende ondersteuningen van sociale of psychologische aard. Enkel het ‘Gemoed van Vertrouwen’, dat in de afgrondelijke diepte van de mens door de Boeddha-werking wordt gewekt, is de effectieve oorzaak van de Geboorte in het Reine Land.

• Geboorte in het Reine Land betekent dan ook het mede-worden tot, het participeren in het Oneindige Boeddhaschap, in de mededogende werkzaamheid alle wezens tot de Verlichting te brengen. Dit is dan de ‘verdienste-overdracht bij het terugkeren [naar de lijdenswereld]’ (J. gensō-ekō).

• Het Oneindige Boeddhaschap - dat het uiteindelijke object en objectief van de Jodo-Shinshu is - staat buiten de conceptuele begrenzingen eigen aan de menselijke geest. Het is dus niet-selectief (hierdoor verschillend van een ‘genade’), maar is natuurlijkerwijze, zij het ook latent, aanwezig en werkzaam in alle wezens, wijs of dwaas, goed of slecht, rijk of arm, geleerd of ongeletterd, man of vrouw, jong of oud, verdienstelijk of verdoemd, zonder onderscheid van tijd of plaats. Bijgevolg is de Ander-Kracht Nembutsu universeel: hij kan volwaardig en volledig beleefd worden in de meest uiteenlopende historische of geografische situaties, overheen alle maatschappelijk of cultureel gebonden uiterlijke vormen.

De persoon die deze lering van de Ander-Kracht Nembutsu werkelijk beleeft, doet afstand van alle eigen heilsberekeningen en praktijken, om zich zonder religieuze zorg van straf of beloning, in de mate van zijn mogelijkheden, in te zetten voor het geestelijke, morele, sociale en materiële welzijn van alle wezens.

Wie en hoe deze ook zijn…

Shitoku A. Peel

Jikoji, Antwerpen

top

Jodo-Shinshu In De Wereld       

De ‘Ware School van het Reine Land’ heeft als stichter Shinran Shonin (de Wijze man Shinran, 1173-1262) en is ook nu nog één van de belangrijkste stromingen in het Japanse Boeddhisme, alleszins de aanzienlijkste wat het aantal tempels en geregistreerde aanhangers betreft (± 22 miljoen; ter vergelijking: Sotozenshu ± 8 miljoen, Nichiren-Shoshu ± 16 miljoen). Deze school (shu) is onderverdeeld in 10 obediënties of vertakkingen, waaronder twee belangrijk zijn: Jodo-Shinshu Hongwanji-ha (populair ‘Nishi Hongwanji’, d.i. ‘Westelijke Tempel van de Uitverkoren Gelofte’) en Shinshu Otani-ha (populair ‘Higashi Hongwanji’, d.i. ‘Oostelijke Tempel van de Uitverkoren Gelofte’), beide met hoofdtempel te Kyoto.

Er is zo goed als geen doctrinaal verschil tussen deze tien ha’s; ze resulteren uit historische evolutie en politieke omstandigheden. Ze zijn overigens verenigd in een dakorganisatie en werken gezamenlijk diverse initiatieven uit. Het onderlinge onderscheid situeert zich op het niveau van de hiërarchie, terwijl ook kleine verschillen in liturgie, symboliek en sutra-melodieën kunnen vastgesteld worden.

De Jodo-Shinshu is eveneens sterk vertegenwoordigd onder de afstammelingen van Japanse immigranten in de V.S. (in het bijzonder Hawaï en Californië), Canada, Brazilië en sommige andere staten in Amerika en Azië.

Sinds enkele jaren is er een groeiende belangstelling ook in Europa voor het zogenaamde Shinboeddhisme, aanvankelijk op universitaire-academisch niveau, maar tevens op het vlak van de beleving.

De eerste kleinschalige Europese Shin-gemeenschap werd in 1956 te Berlijn opgericht, snel gevolgd door kleine groepen in Groot-Brittannië en Zwitserland. Op het huidige ogenblik (2005) zijn er gestructureerde Shin-gemeenschappen in België, Duitsland, Groot-Brittannië, Oostenrijk, Polen, Zwitserland en Roemenië. Er zijn momenteel twee officieel erkende tempels: Jikō-ji (‘Tempel van het Licht van Mededogen’), te Antwerpen, ingehuldigd in 1979, en Shingyō-ji (‘Tempel van het Vreugdig Gemoed’), te Genève, ingehuldigd in 1984. Te Düsseldorf is er een derde Shin-tempel, Ekō-ji (Tempel van het Licht van Wijsheid), maar deze is gesponsord door de Buddhist Promotion Foundation (Bukkyo Dendo Kyokai).

Het Centrum voor Shin-Boeddhisme vzw werd in 1976 te Antwerpen opgericht onder de Hoge Bescherming van Zenmon Kosho Ohtani, Ere-Hoofdabt van Nishi-Hongwanji. Dit Centrum heeft momenteel een werkingsgebied dat zich uitstrekt over België, Nederland en het noorden van Frankrijk. Niet enkel beheert het de Antwerpse tempel, maar samen met de niet-commerciële uitgeverij De Simpele Weg vzw, verzorgt het diverse publicaties, waaronder het driemaandelijks tijdschrift Ekō, en organiseert jaarlijks cursussen, vaak in samenwerking met universitaire instellingen. Het beschikt ook over een gespecialiseerde bibliotheek van ± 1 600 titels.

Het Centrum voor Shin-Boeddhisme vzw is een autonome stichting onder de geestelijke leiding van Go-Monshu Koshin Ohtani, huidig Hoofdabt van Nishi-Hongwanji, maar open voor eenieder met ernstige belangstelling voor gelijk welke vorm van Boeddhisme. Het Centrum vraagt geen contributie of lidgelden. Zijn financiële onafhankelijkheid is uitsluitend gefundeerd op schenkingen uit binnen- en buitenland. De tempel Jikoji is gelegen Pretoriastraat 68, 2600 Berchem-Antwerpen en is toegankelijk op de dagen en uren vermeld in Ekō.

top

Extra: myokonin       

 … dat het filosofisch aspect van de Jodo-Shinshu niet zo gemakkelijk is… en eigenlijk niet zo noodzakelijk, zegt volgende anekdote:

Na een intense studieweek te Kealakekua (Hawaï), komt een 92-jarig vrouwtje naar me toe: “Sensei, alles wat u gezegd hebt is hoogst interessant, - maar ik heb er niets van begrepen! Ik heb wel mijn leven lang op Amida vertrouwd. Do I really need to understand all those things?

Antwoord: “Heb je je ooit vragen hoeven te stellen?

Dààr heb ik nooit tijd voor gehad, maar ik heb altijd de Nembutsu gereciteerd.”

En het vrouwtje had gelijk tegen de leraar.

Nadien vernam ik dat ze door haar omgeving als een myokonin werd beschouwd. Terecht, meen ook ik…

… en is er in de Jodo-Shinshu dan zoiets als een mystiek? Ja en neen. Er zit in de Jodo-Shinshu een sterke mystieke ervaringswereld, maar dan duidelijk naar binnen gericht, naar de roep van Amida’s Naam toe, - of horizontaal naar Wijsheid/Mededogen van alle wezens hoe ze ook zijn.

top

Coördinaten       

jikōji - Tempel van het Licht van Mededogen

Pretoriastraat 68
2600 Berchem-Antwerpen
www.jikoji.com
info-at-jikoji.com

bankrekening 523-0802265-53
IBAN nummer BE53 5230 8022 6553
BIC: TRIOBEBB

© 2009, Shitoku A. Peel

Jikōji – Tempel van het Licht van Mededogen

top


          home